Overleven in Schiebroek & elders

10-6-2012 14:25

Door Hans van Willigenburg

Standpunten? Principes? In mijn meer sombere buien denk ik dat zulke dingen, met hoofdletter en al, alleen nog iets zijn voor mensen met een vaste baan, een erfenis op de bank of een afbetaalde hypotheek. De rest leeft tussen hoop en vrees, tussen even onberedeneerd optimisme als pessimisme, en probeert niet meer dan, juist ja, 'te overleven'. Toch zijn we met z'n allen - zo luidt mijn geïmproviseerde theorie -  tussen al dat driftige overleven door indringender dan ooit op zoek naar tekenen van hoop. Van het idee dat nog niet alle mensen het verleerd zijn om onbekommerd te leven, te genieten. Ook ik...

 

Laatst zag ik tot mijn intense vreugde zo'n hoopgevend en onbekommerd tafereeltje. Het speelde zich af in Schiebroek 'of all places'. Ik zat op de fiets, peddelde stevig door en opeens zag ik, links van mij, een jongetje en zijn moeder op het talud van een doorsnee sloot over een emmer gebogen zitten. De jongen had een gefascineerde, starende blik in zijn ogen. Zijn lippen hingen op half zeven als om aan te geven dat hij aan niks anders dacht dan aan wat er in die emmer zat. De moeder keek in een gehurkte, meisjesachtige houding naar hetzelfde als haar zoon. Een karper? Een meerval? Een stekelbaars? Excuus, mijn kennis van de vissenwereld is beperkt...  Hoe dan ook: moeder en zoon - de hengel lag als 'bewijsstuk' tussen hen in - keken langdurig en onbeweeglijk voor negentig procent zeker naar iets zwemmends en dierlijks. Het geheel, hun gebogen lichamen en hun koppen vlak bij elkaar, was zo goed als een beeldhouwwerk, straalde voorwereldlijke rust en intimiteit uit en zou in de tuin van het Kröller-Müller geen gek figuur hebben geslagen. Hoewel de nu volgende typering beter past in een erotische roman kan ik niet anders zeggen dan dat ik het er even 'warm van kreeg', van dat moeder-zoon-tafereeltje.

 

Drie kwartier later fietste ik in omgekeerde richting door dezelfde straat. Ik was het verstilde contactmoment tussen moeder en zoon alweer grotendeels vergeten, tot ik in de verte het smalle uiteinde van een hengel boven een rij auto's heen en weer zag bewegen. Vlak daarop verdween het kleine stukje hengel uit zicht en het volgende moment hoorde ik de doffe knal van een dichtslaand autoportier en de vermaning: 'Het is mooi geweest, Arno!' Mijn aandacht was gewekt. Ik trapte nog wat harder op de pedalen en zag toen, inderdaad, aan de trottoirkant van de autorij de moeder van drie kwartier geleden haar portier openen. In een flits, terwijl ze haar hoofd al schuin hield om onder het autodak de cabine in te duiken, ontmoetten onze blikken elkaar. Ik keek recht in haar dodelijk vermoeide en gegroefde gelaat dat aan alle kanten de boodschap uitstraalde dat ze snel, heel snel dóór moest met haar leven en dat dit visuurtje met haar zoon, waar ze zich - wie weet - na wekenlang zeuren toe over had laten halen, godzijdank achter de rug was.  

 

Ook dit 'teken van hoop' werd dus in dat ene flitsmoment de bodem ingeslagen. Het idyllische tafereeltje bleek, als gevreesd, een pauze in de ratrace te zijn. Voor de moeder een onwelkome pauze, naar het zich liet aanzien. De enige hoop die ik uit dit alles nu nog kan putten is dit.

 

Het opschrijven. 

Rubriek Ogen/Oren

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel