1 DAG MET EEN STADSMARINIER (DEEL 1)

22-7-2014 00:25

Door Hans van Willigenburg

De 21ste eeuwse strijd tegen grootsteedse onveiligheid, onbehagen en onbegrip in on-dramatische stapjes. Epos over één dag in de voetsporen van een Rotterdamse stadsmarinier.

 

Eén dag meelopen met een stadsmarinier. Het is mijn eigen voorstel, mijn eigen wens, mijn eigen, gedroomde spoedcursus ‘Rotterdamse Veiligheid’ en de stadsmarinier in kwestie, Marcel Dela Haije, is op zijn beurt bereid te laten zien wat hij in zijn functie inzake wijkveiligheid, vaak onzichtbaar voor de buitenwereld, aan het doen is. Afspraken vooraf? Geen! Ik mag alles vragen. Alles bekijken. Alles op me in laten werken. Alles concluderen. Gedetailleerd verslag van een ééndaagse reis door het leven van een stadsmarinier, voor wie het straatniveau ambtshalve doorsslaggevender is dan het beleidsniveau. Voor de krant is het te lang en onvoldoende sensationeel; voor Stadslog Rotterdam een geschenk uit de hemel.

 

Stad en imago

Als Rotterdammer zijn er steeds twee dingen die overal met je ‘meelopen’: de reële stad die je dagelijks ervaart en, pal daarnaast, het imago van de stad als wat onheilspellend ‘het aanvoeren van verkeerde de lijstjes’ is gaan heten. Bij sommige Rotterdammers lopen stad en (belabberd) imago volstrekt parallel, maar voor de overgrote meerderheid, waar ikzelf ook toe behoor, zit er een enorm ‘gat’ tussen de statistische rapporten die kennelijk nogal negatief uitpakken voor Rotterdam en de ogenschijnlijk almaar nettere, steeds beter schoongeveegde en door steeds meer moderne voorzieningen gedomineerde (binnen)stad.

 

Hoe kan dat? Is er sprake van uiterlijke schijn, die agressie en geweld steeds beter uit het zicht weet te houden? Worden we, kortom, op z’n Rotterdams misleid door de grandeur van nieuwe architectuur? Of mag er gezond getwijfeld worden aan de stekelige en ongunstige statistieken en doen we het, onopgemerkt, best goed? En zijn we ten prooi gevallen aan wat in beleidsjargon ‘subjectieve veiligheid’ is gaan heten? Een wispelturig en potentieel chagrijnig begrip dat niet de daadwerkelijke, ‘objectieve’ dreiging op een bepaalde tijdstip of locatie weergeeft, maar de dreiging die door bewoners of passanten op een bepaald moment subjectief gevoeld wordt. Dus niet: hoe veilig is het? Maar: hoe veilig vóel je je ?

 

Van onderbuik naar grafiek

In deze filosofische discussie omtrent het meten van veiligheid heeft ex-burgemeester Opstelten in 2011, als minister van Veiligheid een Justitie, een belangrijk piketpaaltje geslagen met  de opmerking dat ‘de subjectieve beleving van de burger’ wellicht minstens zo belangrijk is om te beïnvloeden als de feitelijke misdaadcijfers. Waar veel wetenschappers dit verwierpen als capitulatie voor populisme nam cultuurfilosoof Hans Schnitzler het in dit stuk in de Volkskrant onmiddellijk voor Opstelten op. Hij duwde de waarde van technocratisch cijfermateriaal een stukje omlaag ten faveure van de psychologie van alledag: ‘De achterdocht (jegens de overheid, HvW) zit eenvoudigweg te diep en laat zich niet bezweren door harde feiten alleen.’

 

Om deze cultuuromslag in het veiligheidsdenken – van waarneming naar beleving - ‘De Rotterdamse School’ te noemen gaat misschien wat ver, maar dat de burger en zijn onderbuik voortaan serieus werden genomen en hun toestand in beleidsmatig relevant geachte waarderingscijfers werden vertaald, heeft zeker in Rotterdam, waar het onbehagen in de achterstandswijken nijpend was en oude recepten niet De Grote Sprong Voorwaarts meer leken te kunnen bewerkstelligen, relatief snel ingang gevonden.

 

Tussen beleidsmachine en gewone mensen

Boeiender dan welke politieke partij of stroming dit keerpunt in denken nu precies heeft geagendeerd dan wel doorgedrukt, is de vraag: werkt het? Is subjectieve veiligheid inderdaad een positieve doorbraak geweest in het veiligheidsdenken? En zo ja, hoe ver ga je in dat streven naar subjectieve veiligheid? Wanneer slaan maatregelen ‘het veiligheidsgevoel’ te bevorderen om in absurdistische eisen aan, bijvoorbeeld, cafés en muziekcentra? Het heeft de Rotterdamse gemoederen de afgelopen jaren behoorlijk bezig gehouden, waarbij de mensen die misprijzend roepen dat de stad ‘niet meer leeft’ (zeg maar, de nachtbrakers en avonturiers) tegenover degenen zijn komen te staan die boven alles ongestoord over straat willen lopen en ‘s nachts ongestoord door willen slapen (vaak aangeduid als ‘de klagers’).

 

In dit spanningsveld is de stadsmarinier - ooit geïntroduceerd in 2002, tijdens de bloei van de Fortuyn-revolutie – een belangrijk gezicht geworden in wat je de zorgelijke wijken van de stad zou kunnen noemen. De stadsmarinier beweegt zich tussen de beleidsmachine van het stadhuis en de ‘gewone’ Rotterdammers, met als belangrijkste opdracht precies die subjectieve veiligheid naar een voldoende te tillen. ‘Als de veiligheidsindex hier straks boven de zes zit, ben ik weg,’ zal de stadsmarinier Marcel Dela Haije halverwege de meeloopdag koeltjes vaststellen. ‘Dan ga ik dit werk waarschijnlijk ergens anders in Rotterdam doen. Voor de goede orde: de veiligheidsindex bestaat voor tweederde uit subjectieve veiligheidscijfers en voor éénderde uit objectieve veiligheidscijfers. Het is dus een samengestelde index uit twee werelden.’  

 

Bescheiden hoofdkwartiertje (9.00 uur)

Het eerste dat opvalt als ik me stipt om 9.00 uur meldt op Hooidrift 45 in Rotterdam-West, is dat ik het gevoel heb bij een woonhuis aan te bellen in plaats van een officiële instantie. Bij veel overheidsgebouwen begin ik, meestal nog voor ik daadwerkelijk ben gearriveerd, al in mijn jas of de kontzak van mijn broek te grijpen vanuit de lichte angst dat ik de noodzakelijke pasjes en/of nummers niet bij me heb. Maar als ik de kindertekeningen, het stemmige  huismeubilair en het snoezige aangeklede aanrecht van Hooidrift 45 – in de volksmond ‘het nozepandje’ - op me in laat werken, bereid ik me gevoelsmatig eerder voor op een dag gezellig kleien dan op een onaangenaam verhoor vanachter een loket.

 

In een flard herinner ik me een gesprek met ex-minister Pieter Winsemius van een paar jaar terug, waarin hij hoofdschuddend vaststelde dat overheidsinstanties (in het bijzonder ook de Rotterdamse) zich almaar – gestuurd door een kennelijke drang naar centralisme en controle - in prestigieuze bunkers blijven vestigen, hetgeen volgens Winsemius een desastreus effect zou hebben op het vertrouwen tussen mensen in die gebouwen (ambtenaren) en de mensen buiten die gebouwen (de burgers). Ik probeer de glimlach en het goedkeurende knikje van Winsemius te visualiseren als hij naast me had gestaan voor dit woonhuis annex ‘hoofdkwartier’ van de lokale stadsmarinier. Eén van de eerste ontboezemingen die Marcel de la Haije, na een hartelijke kennismaking, met mij deelt is dat hij voor zijn hele werk als stadsmarinier maar een paar eenvoudige attributen nodig heeft (‘heerlijk is dat!’): een stoel, een fiets, een smartphone, een laptop en een kop koffie. Dela Haije wijst ze één voor één aan en zegt breeduit glimlachend: ‘Geloof je dat ik heel weinig last van heimwee heb naar mijn kantoorbanen hiervoor?’ 

 

Omgaan met cijfers (9.20 uur)

Misschien is het uit journalistiek oogpunt de verkeerde volgorde, maar het komt nu eenmaal zo uit dat Dela Haije later op de dag verschillende afspraken met bewoners, organisaties en college-ambtenaren heeft gepland en nu, in de morgen, tijd heeft gereserveerd voor een gesprek met Stadslog. Uit mijn ooghoek zie ik hoe op de koffietafel, om precies te zijn vanaf het scherm van zijn kekke Apple-laptop, allerlei kolommen en kleuren naar mij lonken, gevangen in een Excel-sheet. Nog voor ik een vraag heb kunnen stellen, steekt Dela Haije van wal over de zogenaamde ‘veiligheidsindex’ en daarna over het ‘wijkprofiel’. Als verantwoordelijke voor Middelland en het Nieuwe Westen is hij, schat hij, de marinier van zo’n 30.000 á 35.000 Rotterdammers en het Excel-sheet is daarbij een wezenlijk instrument om (a) te bekijken waar (extra) actie geleverd moet worden in welke wijken en (b) te analyseren op welke vlakken, per wijk, criminaliteit toe of afneemt en waar bewoners wel, niet of gemiddeld tevreden over zijn.

 

Dela Haije neemt de Excel-sheets en de cijfers uiterst serieus (‘ik zeg wel eens grappend: die cijfers zijn mijn broodwinning’). Hij praat er respectvol over, als de leidraad voor zijn dagelijks handelen. Tegelijkertijd – en dat is zo mooi aan een individuele professional die vertrouwen krijgt en vrijheid geniet – is hij de eerste om diezelfde cijfers te nuanceren. ‘Als ik ze te letterlijk zou nemen,’ vertelt Dela Haije, ‘zou ik nodeloos vaak in de stress schieten of misplaatst euforisch zijn. Cijfers zijn niet absoluut. Die hebben een voorgeschiedenis. Daarom moet je er kritisch naar kijken.’

 

Afrekenbaarheid is vooruitgang (9.50 uur)

Alleen al het verschil tussen telefonische interviews en digitale enquetes is volgens hem aanzienlijk: ‘Aan de telefoon geven bewoners tóch vaak sociaal wenselijke antwoorden. En blijven er zaken onbesproken. Of worden antwoorden maar half begrepen of soms zelfs volledig foutief geïnterpreteerd. Via de telefoon is de kans dus groot dat het beeld te rooskleurig blijft. Met de digitale enquetes dreigt juist het omgekeerde gevaar: mensen lopen leeg. Er zit geen rem op. De klaagmodus kan volledig in de ‘overdrive’. Met andere woorden: als je van een telefonische enquete overstapt naar een digitale kan je heel erg schrikken en denken dat het ineens veel slechter gaat in een wijk. Terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn.’ Andere factoren die de Dela Haije kritisch in het oog houdt: de volgorde van de vragen en de mensen die responderen (wie wel? wie niet?). ‘Dat alles laat onverlet,’ besluit Dela Haije, ‘dat die cijfers een gewéldig instrument zijn!’

 

Ook de objectieve cijfers blijven belangrijk voor hem. ‘Inbraken. Vermogensdelicten. Huiselijk geweld. Autokraken. Drugsgerelateerde overlast. Ik krijg al die categorieën keurig op een presenteerblaadje opgediend. Elke maand. Dat we als overheid zo nauwlettend de vingers aan de pols houden en, zoals dat heet, ”afrekenbaar” zijn geworden, vind ik vooruitgang. En dat bewoners de tevredenheid over hun wijk nu in een rapportcijfer kunnen uitdrukken, geeft mijns inziens een nauwkeurig beeld van hoe een wijk ervoor staat.’ De doctrine van de subjectieve veiligheid, van waarderingen door burgers afgegeven (tot cijfers achter de komma!) heeft stadsmarinier dusdanig omarmd dat hij teleurgesteld constateert dat op sommige terreinen geen exacte cijfers worden verstrekt, maar zogenaamde ‘kleurcoderingen’. Zijn vingers gaan ervan jeuken. ‘Zo’n kleurcodering genereert te weinig urgentie: als een wijk maanden of jaren achtereen in een statistiek is terug te vinden als groen of geel of blauw weet je na verloop van tijd helemaal niet meer wat er aan de hand is.’

 

Mentale ontgroening, Tarwewijk (10.15 uur)

Omdat de stadsmarinier geen klassieke rol als burgemeester, politieagent of welzijnswerker heeft en er zelfs elf jaar na de introductie van de functie nog dikwijls nieuw terrein wordt ontgonnen, is het interessant om te zien hoe zich opstelt tegenover de bewoners van de wijk. Als een autoriteit? Een vriend? Een dienstverlener? Dela Haije beschrijft zijn leercurve, die ooit zeven jaar terug in de Tarwewijk begon. ‘Laat ik je eerlijk zeggen: in die buurt heb ik regelmatig mijn hoofd geschud en gedacht dat ik aan een dood paard trok. De fout die ik maakte? Ik richtte me op de hardnekkigste klagers, liet ze hun klachten opsommen en probeerde ze, met het lijstje in mijn handen, één voor één op te lossen. Maar wat gebeurde er? Een paar weken daarna vroeg ik diezelfde mensen of ze nu tevredener waren en kwamen ze doodleuk met een nieuwe lijstje klachten! Op dat moment realiseer je je dat er niets verandert. Dat je de problemen als het ware van de klagers hebt overgenomen, maar dat de psychologie van de klagers exact hetzelfde is gebleven, namelijk: “kom maar, wij gooien alles bij jou over de schutting”.’

 

Welke benadering werkte dan wel? Dela Haije: ‘Ik beloofde niet meer dat ik het zou gaan oplossen, maar dat we het sámen zouden gaan oplossen door gezamenlijk in gesprek te gaan met een overlast gevende school of een groepje hangjongeren. Dan geef je mensen zèlf invloed, horen ze ergens bij. En zodra ze ergens bij horen, is hun eigen trots in het geding en willen ze het ook écht oplossen.’ Later, in de wijk Bospolder, heeft hij het als stadsmarinier zo mogelijk nóg heftiger meegemaakt. ‘Daar waren een fiks aantal bewoners zó boos op de overheid, dat ze stonden te schuimbekken, te huilen soms. In eerste instantie heb je nog de neiging om daar op te reageren, zaken uit te leggen. Sommige collega’s bleven in de “ja maar”-stand staan, wat als een rode lap op een stier werkte. Op een gegeven kom je dan tot de conclusie: dat heeft geen zin. Gewoon luisteren. Laat ze uitpraten. Laat het allemaal maar binnenkomen. En deel de teleurstelling. Pas dán ontstaat er ruimte om samen met die mensen, vanuit het dieptepunt, weer omhoog te kruipen.’

 

Een week later was de stemming onder dezelfde groep volledig omgeslagen. Dela Haije (met glimmende oogjes): ‘Ze zaten erbij als enthousiaste, jonge honden! Ze wilden zó graag aan de slag! Dan zie je dat als je al die tranen van een week daarvoor, al die gefnuikte energie, weet om te buigen, er geen trouwere mensen zijn dan juist zij die eerst liepen te schelden.’         

 

Vertrouwen creëren (10.25 uur)

Door schade en schande wijs geworden heeft Dela Haije zich in zeven jaar stadsmarinierschap bekwaamd als straatpsycholoog. Vooral zijn analyse van lokale bestuurders en politici, die – zeker in een nog recent verleden - het tegenovergestelde bereikten van wat ze beoogden, is pijnlijk accuraat. ‘Neem Pact op Zuid. Dan zijn er belangrijke functionarissen die langswippen en roepen dat het “helemaal goed gaat komen” dankzij het Pact, dat “alles anders zal worden” en “de economie er bovenop zal raken”. En vervolgens? Vervolgens zie je diezelfde bobo’s niet meer. Dan ben je dus bezig met  “overpromise” en “underdeliver”.’ Volgens de straatpsychologie van Dela Haije heb je na zo’n hosanna-verhaal in één keer je geloofwaardigheid verloren en zullen de bewoners je, op grond van dat ene optreden, nooit meer het vertrouwen geven. Dela Haije: ‘Hoe goed je het ook bedoelt: zo’n eerste indruk veeg je niet meer uit.’ Omdat hijzelf is opgegroeid in het kleinschalige Limburg weet hij, wellicht nog meer dan zijn collega’s, dat mensen niet snel vergeten en strikt genomen nergens nog ‘neutraal gebied’ bestaat, ook niet in een grote havenmetropool. Kortom: dat alles, tot het kleinste detail, een positieve of negatieve lading heeft.

 

Daarom hanteert hijzelf de tegenovergestelde strategie van de machtige bestuurders. ‘Mijn adagium is: “underpromise” en “overdeliver”. Beloof weinig. En kom mensen pas weer onder ogen als je het probleem hebt opgelost. Dán pas groeit er vertrouwen en respect.’ Het klinkt zo eenvoudig, maar Rotterdam blijft een stad waar de verleiding majestueuze plannen met iets te bombastische retoriek te lanceren levensgroot aanwezig (zie, bijvoorbeeld, Het Nieuwe Stadion). Dela Haije zoekt het juist in de details. Hij wijst op het speldje, dat hij op borsthoogte op zijn regenjas heeft bevestigd en waarop de tekst ‘Rotterdam is Gers!’ te lezen valt. Dela Haije. ‘Het klinkt misschien raar, maar ik vind dat speldje belangrijk. Het geeft, hoe klein ook, een signaal af aan de mensen met wie ik spreek. Dat ik hou van de stad waar ik werk. En dat ik bewust voor een positieve insteek kies.’

 

Nieuwe media (10.45 uur)

Omdat Dela Haije ooit een HBO-studie ‘Commerciële economie’ heeft gevolgd, volgt hij met bovengemiddelde interesse de trends, mag hij zich graag in verkoopstrategieën verdiepen en is hij zich, bijvoorbeeld, zeer bewust van de nieuwe media. Niet alleen gaat hij met zijn laptopje en zijn smartphone om alsof het verlengstukken van zijn eigen lichaam zijn; tevens denkt hij, op het niveau van de straatpsychologie, na over wat hij het beste over zijn wijk via Twitter en Instagram de wereld in kan sturen. ‘Nieuwe media beïnvloeden het beeld dat mensen binnen én buiten de wijk van dit stukje Rotterdam hebben.’ Reparaties van straatmeubilair, bijzondere ontmoetingen, opgeknapte winkelpuien, rustieke plekjes: in alles kan inspiratie verborgen zitten voor een fotootje met virale potentie. Dela Haije tweet dergelijke tafereeltjes dan ook regelmatig.  Later die dag zal hij via Twitter een oproep plaatsen om de mooiste song over Rotterdam naar hem te tweeten, zodat hij er een mixtape van kan maken. De inzendingen stromen al vrij snel binnen, met volkszanger Arie van der Krogt als voorspelbare koploper.

 

Na het inleidende interview maken we een fietstochtje door de wijk. Dela Haije weet bij elke straat wel grappige, pregnante en onthutsende details op te dissen. Maar vergis je niet: er wordt tegelijkertijd ook gewerkt. Zodra hij met een haviksoog tussen twee fietstrommels in de Volmarijnstraat een zwerver heeft zien schuilen, belt hij een collega van de politie om ‘te checken wat er aan de hand is’. Even later staan we in  de Jan Porcellistraat bij de drempel van het huis waar, zogezegd, de ‘spookdode’ van Rotterdam tien jaar onopgemerkt heeft gelegen. Dela Haije: ‘Dankzij dat incident komt het beeld naar boven van een onmenselijke straat in een anonieme wijk. Niets is minder waar. Er is hier de afgelopen jaren veel ten goede veranderd.’ De massamedia staan echter klaar om met het beeld van de liefdeloze stad aan de haal te gaan en dat, waar het kan, met schrijnende details in te vullen: vooraan de eerstelijnsmedia die het harde nieuws brengen en snel daarna de verdiepende media, zoals de EO, die – tijdens ons interview diezelfde ochtend – naar de stadsmarinier belt in het kader van een aanstaande docu over het thema ‘Eenzaamheid In De Grote Stad’. De stadsmarinier heeft geen zin in dergelijke clichés (‘ik heb geen behoefte aan die docu mee te doen’) en verwijst door naar een voorlichter op het stadhuis. We fietsen terug naar ‘het nozepandje’, waar de Dela Haije een afspraak heeft met een vrouwelijke freelancer uit het welzijnswerk, die het buurtrumoer rond de pannakooi in de Snellinckstraat op haar bordje heeft liggen. Het klassieke probleem: de buurtjongeren willen een plek waar ze uit het directe zicht van de klagers een beetje hun gang kunnen gaan en de omwonenden die, inderdaad (geheel conform verwachting), steen en been klagen over lawaai en troep op en rond de pannakooi.     

 

Een rondje bemiddelen (11.30 uur)

In de huiskamer van ‘het nozepandje’ ontrollen zich voor mijn ogen de basisprincipes van het vak Bemiddeling, beter, op z’n Engels, bekend als ‘Mediation’. De freelancer heeft regelmatig contact met de jongeren rond de pannakooi, schat de signalen in waar ze gevoelig voor zijn en deelt haar kennis over de dynamiek binnen de groep, ofwel: wie luistert naar wie? Aan Dela Haije de taak een ontmoeting te organiseren tussen de jongeren en de omwonenden, die enerzijds voldoende ruimte biedt voor het uiten van boosheid bij beide partijen en toch, anderzijds, niet in een neerwaartse spiraal terechtkomt, maar een band smeedt tussen beide kampen en hen rijp maakt voor een gezamenlijke oplossing.

 

Na een stief half uur van wederzijdse informatieuitwisseling doet de stadsmarinier zijn naam eer aan en wil hij, het liefst met enigszins strakke hand, tot een definitief ‘format’ voor de ontmoeting komen. Wie krijgt als eerste het woord? En hoe lang? En krijgt de tegenpartij vervolgens nog de ruimte om te reageren op de reacties? Of is dat en brug te ver? Met interesse volg ik hoe de ontmoeting tussen de buurtjongeren en de omwonenden vooraf, stapje voor stapje, door beide professionals in een soort scenario wordt gegoten. Waarbij opvalt dat de stadsmarinier ál te tijdverslindende scenario’s poogt in te dammen. ‘In twee uur moet het toch wel afgerond kunnen worden?’ zegt hij. De freelancer knikt.  

 

Kritische reflectie (12.15 uur)

Wanneer de bewonersmeeting rond de pannakooi in de Snellinckstraat definitief is ingepland en de freelancer vertrokken is, probeer ik mijn eerste indrukken van die ochtend met de stadsmarinier te delen. Ik begin met het positieve. Dat ik zijn directe werkwijze inspirerend vindt. Dat ik zie hoeveel meerwaarde een ambtenaar heeft, die vierentwintig uitgaat van de werkelijkheid en niet van papieren concepten. Dat ik zie hoe hij regels in overleg met politie, bestuur en corporaties tijdelijk strakker kan trekken (bij schimmige handeltjes) of kan laten vieren (als er gezocht wordt naar voedingsbodem voor een duurzaam bedrijfsverzamelgebouw). Hoe kun je daar tegen zijn? Als extra bonus bij deze werkwijze is dat de grootstedelijke anonimiteit wordt teruggedrongen. Dela Haije werkt steeds in kleine netwerken met ‘echte’ gezichten, die elkaar bellen en scherp houden, waardoor zaken ook daadwerkelijk worden opgelost in plaats van bij derde partijen worden weggebonjourd. Wat ik, tot slot, helemaal indrukwekkend en geruststellend vind – maar dit kan een persoonlijk stokpaardje zijn – is dat de stadsmarinier ‘deskundigen’ en ‘experts’ op afstand houdt en vooral een beroep lijkt te doen op gezond verstand. Meestal zijn deskundigen, in mijn ogen dan, de route naar pittige uurtarieven en nodeloos academisme.

 

Toch is er naast alle waardering een groot ‘maar’, dat ik hem voorleg. ‘Is het niet zo dat de regeltjesfabriek volop kan dóórdraaien omdat de regeltjesmakers weten dat jij, als stadsmarinier, aan het einde van de pijplijn staat? Kortom: fungeer jij niet als een alibi om lekker door te gaan met bureaucratisch dichttimmeren, in de zekerheid dat als regels écht bizarre effecten sorteren, jij wel aan de bel zult trekken?’ Dela Haije: ‘Een héle goede vraag! Waar ik nooit exact antwoord op kan geven. Waren er nóg meer regeltjes ingevoerd als de stadsmarinier niet was geïntroduceerd of heeft de functie juist een dempend effect gehad op regelzucht? Zeg ‘t maar. Wat ik wél weet, is dat er momenteel heel veel energie intern wordt besteed aan: hoe organiseert de gemeente zichzelf? Wat is er wel en niet nodig voor de toekomst? Reorganisaties, dus. In dat kader durf ik wel te beweren dat de gemeente blij is dat er stadsmariniers rondlopen in de kwetsbare wijken. En dat zij tezamen, al hun ogen en oren, een soort “schild” vormen tegen onaangename verrassingen op veiligheidsgebied. Waardoor er meer tijd en energie overblijft om intern te hervormen.’ Gewetensvraag: zou de hele overheid niet meer moeten gaan werken als de stadsmarinier? Praktisch. Beweeglijk. Met gezond verstand. Dela Haije: ‘Als je die vraag aan mij stelt, zeg ik: ja, ééns. Maar of het ook die kant op gaat…? Ik probeer mijn deeltje goed te doen.’ 

 

Veertig ballen in de lucht (12.25 uur)

Húp! We stappen weer op het stalen ros en zetten koers naar Dates, op de hoek Heemraadssingel / 2e Middellandstraat – volgens een goede kennis de ‘place to be’ voor de aanstormende generatie, vul zelf maar in… Hipo’s? Prospects? Yuppies? Dela Haije is inmiddels een bekende van het huis en wordt hartelijk begroet. Hij is zeer begaan met de middenstand. Eén van zijn lopende projecten (‘soms heb ik het gevoel dat ik veertig ballen in de lucht houd’) is om HBO-ers te betrekken bij het vormgeven en indelen van veelbelovende winkels, die er volgens de stadsmarinier nu nog ‘te rommelig’ uitzien om aan te slaan bij het grote publiek. Met name de amateuristische wijze waarop winkelpuien hun gezicht naar de straat toe keren, is een doorn in zijn oog. ‘Als je de moeite neemt om naar binnen te lopen, zie je wat een goede producten in deze wijk te krijgen zijn,’ vertelt Dela Haije. ‘Maar hoeveel mensen nemen die moeite als ze zo’n pui zien? Daar valt nog een slag te maken.’

 

Dela Haije glimlacht, zo lijkt het, om zijn eigen gedrevenheid. ‘Jij vraagt je misschien af: wat hebben winkelpuien met veiligheid te maken? Jij wordt toch ingehuurd om de veiligheidsindex omhoog te krikken, niet om de stad op te knappen?’ De stadsmarinier knikt veelbetekenend na zijn eigen vraag. ‘Zal ik je verklappen dat ik geen functieomschrijving heb? Dat er in principe geen grenzen zijn aan mijn handelen, anders dan het geografische gebied waarbinnen ik werk? En ik heb ook nog eens een eigen budget. Na de crisis moet ik eerlijkheidshalve wat vaker om geld zeuren, maar in principe is het geen probleem zolang ik het vertrouwen geniet.’ En die opgeknapte winkelpuien? Zijn dat rechtstreekse, één-op-één veiligheidsbevorderaars? ‘Naarmate de veiligheidsindex verbetert, gaat er steeds meer aandacht naar wat je randzaken zou kunnen noemen. Maar wat zijn randzaken? Het uiterlijk van straten en winkelstraten heeft invloed op hoe prettig mensen hun wijk ervaren. En dus, potentieel, op de tevredenheidscijfers die ze invullen op enqueteformulieren. En dus op de veiligheidsindex. Dan is het cirkeltje rond.’    

 

Aboutaleb (12.50 uur)

De stadsmarinier heeft behalve met wijk- en gebiedsmanagers en gemeentelijke instanties ook intensief contact met burgemeester Aboutaleb, bij wie – dat mag bekend zijn – de veiligheidsportefeuille meer dan de volle aandacht heeft. Waar de stadsmarinier vroeger op het stadhuis werd ontboden om de nieuwste veiligheidsindexen te verantwoorden, heeft de huidige burgemeester de ietwat bombastische gang naar het centrum van de macht naar een wat opener – zij het niet per se vriendelijker  - omgeving verplaatst: een zaaltje in de wijk zèlf. ‘Tegenwoordig overleggen de burgemeester en ik met bewoners tijdens een speciale bijeenkomst,’ aldus Dela Haije. ‘We lopen dan de gemaakte afspraken na. Dat is best spannend: je staat oog in oog met de mensen voor wie je het allemaal doet. Op die avonden komen regelmatig weer nieuwe klachten naar boven, die we dan gezamenlijk oppikken. Dat is veel beter en nuttiger dan wanneer je met de burgemeester alleen door de cijfertjes heen gaat.’

 

Nadat onze bestellingen zijn geserveerd, onderhoudt Dela Haije zich met de eigenaar van Dates. Hij geeft kort wat consumptieve wensen door voor de bewonersbijeenkomst, die ‘s avonds in de hippe horecagelegenheid zal plaatsvinden. Aanleiding? De (vermeende?) overlast van koffieshop ‘t Geeltje op de Claes de Vrieselaan. Dela Haije heeft de betreffende koffieshopeigenaar kunnen bewegen aanwezig te zijn om de boze buurtbewoners te woord te staan en hoopt op relevante belangstelling vanuit de wijk. Hij schat in dat er ‘tien tot twintig mensen’ op af zullen komen, inclusief de wijkagent. Het wordt genoteerd. Even later keren we terug naar ‘het nozepandje’.

 

Klik door naar Deel II van '1 dag met een stadsmarinier’…

 

Meer documentatie over de functie van de Stadsmarinier vind je hier

 

Afbeelding / www.bentopresentaties.nl

Afbeelding 1 / 'Stadsmarinier spreekt bewoner in de Volmarijnstraat'

Afbeelding 2 / 'Stadsmarinier op zijn eenvoudige werkplek in het Nozepandje'

Afbeelding 3 / 'Stadsmarinier poserend voor het Nozepandje'

 

Deze Stadslog-productie is een samenwerking met #Veilig010

 

Rubriek Ogen/Oren

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel