STADSDICHTERSPROZA

19-4-2013 20:13

Door Stefan van Hoek

 

Actiefoto/Arie Kers: (voor de kijker) links - met pet - stadsdichter Daniël Dee, nadat hij door de security-medewerkers onder een stapel aanbidsters is vandaan getrokken; rechts - zittend en lezend - auteur dezes

 

Omdat het deze week 'Internationale week van het slow journalism' is, kom ik nog maar eens terug op de presentatie van de novelle De zondige daad van stadsdichter Daniël Dee, in boekhandel V/h Van Gennep aan de Oude Binnenweg, op 27 maart jl.

   Mooi is dat, niet? Ik ben een halve zin ver en ik heb mij met mijn gezeik over een 'Internationale week van het slow journalism' al weer bezondigd aan het schrijven van fictie.

   Participerend? Onderzoekend? Journalistiek? Mijn achterwerk!

 

Daniël had mij enige tijd tevoren vriendelijk gevraagd – en nee, ik ga nu niet uitzoeken op welke dag dat precies is geweest, hoe vriendelijk op de schaal van vriendelijkheid en of dat per mail, tweet of Facebookbericht was – of ik de novellepresentatie van extra cachet wilde voorzien door iets voor te dragen. Omdat ik graag zittend voordraag – staan is immers voor standup comedians, poetry slammers en andersoortige tennissers – zou hij ervoor zorgen dat er een stoel binnen achterwerkbereik was. En: hij zou vereerd zijn met mijn komst. Nu wilde het geval dat ík vereerd was met de uitnodiging te komen voordragen. Hoe vaak wordt een mens immers gevraagd door de stadsdichter diens prozapresentatie te komen opluisteren? Dit kon zeer goed een eenmalig evenement in mijn leven betreffen. Dus als ik op afgesproken datum en tijdstip inderdaad de gang vanuit mijn grot aan de Eendrachtsweg tot in de boekhandel aan de Oude Binnenweg zou weten te volvoeren en de novelleschrijver annex stadsdichter het ook tot V/h Van Gennep zou weten te brengen, stond niets een literair samenzijn in de weg.

 

En zo, kan ik al verklappen, geschiedde.

 

Sinds die dag berichtten wij elkaar regelmatig hoe wederzijds vereerd we die bewuste 27ste maart waren. Een activiteit die op een gegeven moment zelfs zoveel tijd ging opslokken dat we die correspondentie beiden hebben uitbesteed aan een team van advocaten. Zo doe je dat als schrijver-dichter. Niet op de kleintjes letten. Het breed laten hangen. Zo'n advocatenkantoor mag ook iets verdienen. We zijn er per slot van rekening geen horecatycoon of vastgoedexploitant, met eendimensionale vaardigheden als optellen, aftrekken en het onderste uit de kan krijgen. We gunnen een ander ook wat. Mag wat kosten.

 

Enfin. Ik ging daar dus die 27ste maart op die stoel zitten en las het volgende voor:

 

De novelle staat tot de roman als de tweet tot de Facebook-mededeling,” zo luidt de eerste mathematisch-literaire wet van Stefan van Hoek.

 

Nou en? Inderdaad, nou en?

 

Hoe leerde ik Daniël kennen? Weet ik niet. Ik meen me wel nog te herinneren wanneer ik hem voor het eerst sprak binnen de enige bestaande gesproken communicatievorm die het predikaat 'menswaardig' mag dragen: de dialoog. Dat moet aan de bar van toekomstig lounge- en cocktailcafé De Schouw zijn geweest. Het was op zo'n eerste woensdagavond van de maand, waarop er in de gewezen journalistenuitspanning nog dichtersavonden werden gehouden. Aangezien toentertijd mijn orderportefeuille voor het schrijven van artikelen over bouwprojecten al stevig tanende was, had ik besloten mij dan maar weer eens aan het schrijven van zogenoemd vrij werk, in dit geval poëzie, te wagen. Voorafgaand bleken Daniël en ik er een gezamenlijke hobby op na te houden: het innemen van spiritualiën. Voordeel hiervan was onder meer dat je zo nog eens met elkaar in gesprek raakte.

   Hoewel de dialoog de enige menswaardige gesproken communicatievorm is, ging het op het onderdeel onderling begrip al direct mis. Mijn opmerking dat we beiden collega's waren, beaamde Daniël met de mededeling dat we beiden inderdaad dichters waren. Ik doelde echter op het feit dat we toentertijd beiden schreven voor de gratis weekkrant Rotterdam Vandaag & Morgen.

   Ach, een uit te tekenen gevalletje van verschil in interpretatie tussen zender en ontvanger. Niets om je druk over te maken.

 

Nog een aantal malen heb ik acte de présence gegeven op de dichtersavond, totdat ik eigenlijk poepchagrijnig werd van het feit dat ik daar gratis mijn geestelijk erfgoed stond weg te geven en als bonus ook nog eens minstens twintig euro aan genoten spiritualiën mocht afrekenen. Sindsdien organiseer ik eens in de maand een tappersavond bij mij thuis. Kroegeigenaren mogen op die avonden te mijnent schenken uit eigen vat en inderdaad: er is nog nooit iemand op komen dagen.

   Daarbij kwam nog dat ik steeds harder mijn hoofd ging schudden over de zegswijze 'Kunst, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie'. Daarvoor waren de bijeenkomsten naar mijn persoonlijke smaak een aantal beetjes te sektarisch van aard. Ik kwam daar niet voor de gezelligheid. Dan had ik beter thuis kunnen blijven en op de televisie kanaal Volendam 1, 2, 3 of de werkelijke TROS op kunnen zetten.

   Bij de dichtersbijeenkomsten heb ik het dus niet heel lang volgehouden. En na de gebeurtenissen van gisteren is het maar helemaal de vraag of de dichtersavonden zoals ze nu bestaan het zelf nog 1 keer vaker zullen weten te rekken in De Schouw. Kan ik daar niet meer over vertellen? Jawel, dat zou ik kunnen, maar slechts antwoordend op gericht gestelde vragen.

 

Goed. Daniël schopte het inmiddels tot stadsdichter. Op de dag van zijn uitverkiezing bombardeerde ik mezelf daarom maar tot stadscorrector. Dat is een klein grapje dat ik tot nu toe als entre-nous heb bewaard, maar ik kan hierover nu niet langer het zwijgen toe doen. Ik was de persoon die Daniëls taalfouten uit zijn stukjes voor internetmedium Stadslog viste en deze discreet per persoonlijk Facebookbericht aan hem doorgaf. Iemand moest het doen. Niet dat Daniël nu zo veel fouten maakte, maar omdat ik nu eenmaal die iemand was die zijn proza las en omdat ik er een neurotische eindredactioneerdersinborst op nahoud. Als ik dan toch aan het lezen was, kon ik net zo goed even mijn aanmerkingen doorgeven. Het verleidde Daniël er bij een herhaardelijk terugkerend feilen eens toe mee te delen dat er sprake was van een "standaard fout in het werk van Dee". Naar buiten toe heb ik vervolgens altijd volgehouden dat "het werk van Dee stilistische standvastigheid ademde".

 

Gisteren viel mij de eer te beurt – toevallig of niet, voor het beantwoorden van die vraag wende u zich maar tot het Opperwezen – om sinds Daniël Dee de eerste medewerker van Stadslog te zijn aan wiens werk zomaar een hele Sonderausgabe was gewijd. De vraag of er normaal gesproken niet gewoon de tweede editie geheel gewijd aan het werk van Daniël zou zijn verschenen, doet niet meer ter zake. Daniëls bijdragen verschijnen inmiddels niet meer op het log, is mij opgevallen. Sterker: hij is geheel als medewerker van dit internetinitiatief verdwenen. Over het hoe en waarom van dat feit gaan Daniël en ik het de komende drie uur hebben. Wellicht dat er daarna nog een aantal minuten resteren tijdens welke hij wat tijd vrij kan maken om de door u alhier aangeschafte novellen van een paraaf plus opdracht te voorzien.

 

Ik dank u voor uw aandacht.

 

 

Ik had de stoel nog niet teruggeven aan de neringhoudmevrouw van de boekwinkel of een mannetje prikte me met zijn wijsvinger doortastend op de borst.

   “Eén telefoontje naar me was voldoende geweest om uit te vinden dat Daniël helemaal niet gestopt is met schrijven voor Stadslog,” zei hij gepikeerd.

   Ik kende het mannetje niet. Ik vermoedde dat hij een van de notabelen was die aan de oorsprong van het webinitiatief hadden gestaan. Oud geld. Ik schatte hem op het oostelijk deel van Kralingen, omgeving Hoflaan. Waar de hondenuitlaatservice meer kind aan huis is dan de kinderen des huizes zelf zijn.

   Een moment overwoog ik het mannetje duidelijk te maken dat ik fictie had geschreven. Dat het personage Daniël Dee een verzonnen karakter was. Dat als je mij gebruiksaanwijzingen voor – ik noem maar wat – keukenapparatuur zou laten schrijven, je vóór de derde alinea al in een verhaal zou zijn beland over een hondje uit de Hoflaan met mofjes aan zijn poten, dat is verdwaald in Kralingen-West, daar op de Vlietlaan in tram 7 is gestapt en de gedaante van RET-wagenbegeleider heeft aangenomen. Maar zelfs tot die laffe uitvlucht hoefde ik me niet te verlagen. We leefden gelukkig alweer in het tweede decennium van de 21ste eeuw, dus binnen roken was – uitgezonderd thuis en dan nog slechts omdat stadswachten nu eenmaal niet met alle huissleutels van alle voordeuren over straat kunnen – niet toegestaan.

   “Ik moet even paffen,” zei ik tegen het mannetje, terwijl ik naar de deur liep. “Anders krijg ik longen.”

 

Toen ik weer binnen stond, vertelde ik het mannetje dat ik Daniëls naam niet meer bij de makers op de website had zien staan. Dat ik ook niet één stuk van hem had kunnen terugvinden.

   Het mannetje legde me uit dat de instellingen van de website waren veranderd. De naam van de medewerker die het laatst iets had geplaatst, stond bovenaan gerangschikt. En er stond nog slechts een beperkt aantal medewerkers op de lijst, omdat dat aantal uitdijende was en het vermelden van alle namen tot onoverzichtelijkheid zou leiden. Daniël Dee had gewoon al een tijd niets meer voor Stadslog geschreven.

   Ik verkeerde in de veronderstelling dat Daniël zich van Stadslog zou hebben teruggetrokken omdat hij in zijn functie van stadsdichter absoluut onkreukbaar en onpartijdig moest zijn. Zich niet aan één medium verbonden zou mogen weten. Of wellicht was zijn uitgever van plan zijn webpublicaties te bundelen en had die exclusiviteit bedongen.

   Maar niets van dat al. Ook hier bleek alles, of in ieder geval erg veel, te berusten op interpretatie.

 

De volgende ochtend deed ik mijn gebruikelijke anderhalf uur ratio-yoga. Dat werkt eigenlijk hetzelfde als gewoon yoga, maar dan precies andersom. In plaats van je hoofd leeg te maken door te mediteren, laat je het vol gedachten lopen.

   Was mijn gedachte de zoon van de wens? Wílde ik graag dat Daniël Dee niet meer voor Stadslog zou schrijven? Zou ik blij zijn geweest als die veelpublicist eindelijk eens was opgerot? Ging de aandacht die naar zijn schrijfsels uitging ten koste van de belangstelling voor die van mij? Sterker: vond ik eigenlijk dat ikzelf de stadsdichter had moeten zijn? Maar ze zouden mij toch nooit de uitverkorene van die middle of the road-show maken? Daar waren mijn schrijfsels wat te uitgesproken voor. Dat was meer iets voor Dee, die dee zelfs voorlezen bij de EO.

   Bovendien: Dee had een naam en de alliteratie hielp mee. Mijn ouders hadden op dat vlak stilistisch geblunderd door de klankherhaling '-fan van' in mijn naam. Daardoor werd in de praktijk mijn achternaam altijd verbasterd tot 'Hoek', 'Van de Hoek', 'Van der Hoek' of 'Van den Hoek'. Ik heb om minder een gespleten persoonlijkheid opgelopen. Maar goed.

   Ik zat eens in Vrij Nederland de Steenhuis-puzzle voor sicko's – LSD-hersencontactpunten strekken tot aanbeveling – te maken, werd er gevraagd naar een dichter en kon het antwoord niet anders dan 'DEE' zijn. Niet zo vreemd dat hij op Facebook en Twitter horden aanbiddende vriendinnen en volgsters had. Daniël Dee was een BN'er. Ik was uitgenodigd voor te komen lezen uit eigen geestesvoorraad door een BN'er. Ik voelde mij vereerd, maar dat typte ik al eerder.

 

Na de ratio-yoga doe ik eigenlijk hetzelfde als anderen na gewoon yoga. Ik ga gewoon eens beginnen met mijn leven. En er is nog niks veranderd. Behalve dat ik anderhalf uur mijn tijd heb liggen verdoen. Die negentig minuten kunnen dus al niet meer nuttig worden besteed. En erg veel tempo krijg ik toch al niet in mijn dag. Ik haal wat boodschappen in huis, snijd groenten en vlees, kokkerel een maaltijd in elkaar en de rest van mijn tijd besteed ik aan het veil geven van bijdehante oneliners op sociale media, terwijl ik ze beter zou kunnen opsparen, teneinde er een 'typisch Van Hoekje' van te maken om in Hoekig op Stadslog te deponeren.

 

Ook 's nachts doe ik aan ratio-yoga, maar dan heet het gewoon 'wakker liggen van de zorgen'. Engageer ik mij met de besognes in café De Schouw. Maak ik mij druk over hoe gewenst toekomstig eigenares Tineke het voorlopige schisma journalistencafé/feestlokaliteit nog enigszins tot compromis weet te poldermodelleren. Ik bedacht er al de nieuwe kroegnaam (De Sc)hou(w)se voor.

 

Zo zie je maar: wakker liggen van de zorgen is stukken nuttiger dan welke vorm van yoga dan ook.

 

 

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel