NETTE MENSEN

13-7-2012 11:51

Door Stefan van Hoek

We schrijven 1989. Ik woon net in Rotterdam om er een studie recht te faken. De Witte de Withstraat is vooral een straat waarover ik de kortst mogelijk route afleg, namelijk via een oversteek. Als overtuigd cannabist, die ook een glas pils niet versmaadt, heb ik op die vermaledijde Witte de Withstraat eigenlijk niets te zoeken. Want in de straat zit én een coffeshop waar geen alcohol wordt geschonken, én een enkel café waar dan weer niet mag worden geblowd. In de Witte de Withstraat schiet het, kortom, niet op. De straat is voor mij dan ook niet meer dan een aantal meters verbindingsroute tussen café De Seen op de Oude Binnenweg en mijn kamer in een totaal scheef staand, bijna de Kortenaerstraat in pletterend studentenpand, waar de trap zo naar voren helt, dat het lijkt of je een tekening van Escher bent binnengestapt.

De Seen. De Seen. In dat etablissement kan de gast zich tenminste wagen aan de strijd om het combinatieklassement: het worden van dronken én stoned tegelijkertijd, waarbij de beide gemoedstoestanden het in het hoofd heroïsch tegen elkaar lijken op te nemen in een illusoire strijd om het eerst bij de finish te geraken. Het is op een middag dat ik vanwege ’s anderendaagse arbeidsverplichtingen – de studie recht hangt inmiddels aan de wilgen – mij in De Seen dien in te houden en het slechts bij het roken van een joint laat. Onderweg naar mijn studentenkrocht noden twee huisgenoten me op het terras van journalistenverblijf De Schouw te komen zitten. Huisgenoot T. blijkt in het gezelschap van een vriend uit Zwitserland te zijn. Huisgenoot G. blijkt door alcoholconsumptie enigszins in een wankele toestand te zijn. Laatstgenoemde begeeft zich met onvaste tred naar de bar om vier glazen bier te bestellen. Eenmaal terug zet hij de glazen op tafel en plant vermoeid beide ellebogen op het tafelblad om zijn hoofd in zijn handen te rusten te leggen. Het tafelblad denkt daar anders over. Dit rust in het midden op drie schamele ondersteunen. Zwaartekracht doet direct zijn werk. Vier glazen bier gaan ineens een geheel eigen weg. Zelf weet ik een plas te ontwijken, huisgenoot T. en G. in eigen persoon ontvangen een natte broek. De Zwitserse vriend is minder fortuinlijk; glas en inhoud treffen hem vol in het gelaat, dat wel ongeschonden door scherven, echter niet droog blijft. Druipend zit hij op zijn terrasstoel. Welkom in Rotterdam, gepreciseerd: welkom in de Witte de Withstraat.
     Hoewel in kennelijke staat weet G. de voorkomendheid op te brengen het gebroken glas op te ruimen. Normen en waarden vieren hier ruim een decennium voor Balkenende reeds hoogtij. Na vergodverdomd door T. loopt G. naar de bar om de schade in de vuilnisbak te kieperen, een handdoek te scoren en vier nieuwe versnaperingen te laten aanrukken. Laten aanrukken, inderdaad. De barman beschouwt G. kennelijk als een van zijn pappenheimers en biedt nu wijselijk service tot en mét het terras. Niet meer dan netjes. Terwijl de Zwitser zich met de handdoek droogwrijft, belanden vier nieuwe fraai getapte bieren op de tafel. We heffen de glazen en proosten. Waarom te lang stilstaan bij de lompheid van zojuist? Bier maakt geen vlekken.
     G.’s ogen tonen aangedaan. Ze zijn bloeddoorlopen en zijn pupillen hebben de grootte van nog geen speldenknop. G. is moe. G. wil rust. G. zet zijn ellebogen op de tafelrand en legt zijn hoofd in zijn handen. Ik pak mijn bier en sta op. T. draait zich op tijd weg. De Zwitser is versuft door – ook in die jaren reeds – verrassend sterke nederwiet en krijgt dus wederom een stortbad. T. godverdegodvert G. van het terras af, in de richting van de Kortenaerstraat. Met een verbijsterde tronie staat hij uit te blazen en kijkt me aan. Kan dit? Ja, dit kan. Een en dezelfde persoon kan dezelfde truc twee maal binnen tien minuten tot een goed einde brengen. Dat kan in de Witte de Withstraat.

We schrijven een jaar, pakweg 1996. Ja, laten we dat jaar schrijven. In Rotterdam vindt de kunsthappening Manifesta plaats. In en om de Witte de Withstraat wemelt het van de kunstenmakers. Diverse leegstaande panden doen dienst als expositieruimte. Kunstenaar Oleg Kulik houdt dagelijks in de open lucht een perfomance als Pavlov-hond. Zijn vrouw laat hem aan een halsband uit. Op handen en voeten beweegt Kulik zich door de Witte de Withstraat. Naakt. Als hij tegenover café Mondriaan stil houdt en zijn been optilt om – zoals het hoort – een plas in de goot te doen, is de enige reactie vanuit de kroeg: ‘Mag ie een koekje?’
     Zelf zit ik zes dagen per week, negen uur per dag in een villa aan het Museumpark, op dat moment de beoogde burgemeesterswoning. Vijf gulden per uur betaalt men mij voor deze nauwelijks activiteit. Ik houd de wacht over maquettes van suikerklontjes en dunne plaatjes triplex. Op de suikerklontjes komen nogal wat vliegen af. Hoewel ik die in principe geen kwaad doe, acht ik het in deze openbare ruimte mijn taak bezoekers zo veel mogelijk van insecten gerelateerde overlast te vrijwaren. Dus mep ik ze verrot. Het mooist tentoongestelde item is een houten huisje, dat van binnen is bekleed met zacht pluche. Hier kan ik verborgen mijn katers uitzitten. Vanzelfsprekend begrijp ik dat het eigenlijk geen pas geeft om brak van de avond tevoren genoten drank mijn taak te volvoeren. Aan de andere kant: als ik zes dagen niet in het café kom, verwaarloos ik mijn horca-ondersteunende functie schromelijk. Ik kies dus voor de gulden middenweg: af en toe bezoek ik de kroeg om dan de volgende dag in de beschutting van mijn houten hok bij te komen. Want om nu in het algemeen zicht te gaan zitten uitkateren. Zo zijn wij in deze buurt niet opgevoed. Telkens als ik een bezoeker de trap  hoor opkomen, verlaat ik mijn conciërgehok en wandel, mijn handen gekruist achter mijn rug, mijn kunstbewakingsronde.
     ’s Avonds loop ik de struise blondine R. tegen haar lijf. R. is een getrouwde vrouw, vrij klein van postuur, maar in het bezit van een dermate pront stel borsten dat ze me zeker onzedige gedachten zou bezorgen als ik niet over zo’n ver ontwikkeld normen- en waardenpakket beschikte. Of pornografieliefhebber zou zijn. Ze vertelt me iedere keer als ze me ziet dat ze mijn lange haar zo mooi vindt. Toch mag ik dat niet als uitnodiging to je-weet-wel opvatten. Enfin, ik houd mijn handen dus thuis, de dame is immers nog getrouwd ook, en vertel haar dat ik de expositie in de villa heb uitgebreid. Paperclips heb ik verbogen tot mini strandstoelen. Met hun vleugeltjes op het ijzer en de pootjes in de hoogte liggen de door mij geofferde vliegen – de kunst is niet te hard te slaan, want dan verpulver je ze – achter het raam in de zon. R. kijkt me met haar grote blauwe poppenogen aan en luistert ademloos; zij is niet bepaald de wieluitvindster en beschikt over een IQ gelijkwaardig aan dat van een varkensderrière. Maar wie ben ik om haar ermee te confronteren? Zo zitten we in deze buurt niet in elkaar. Mijn rol is die van chaperon en in die rol schik ik mij.
      De Schouw sluit en R. troont mij mee naar het van een nachtvergunning voorziene Mondriaan om nog een afzakker te halen. Het is er druk. De bar is geheel bezet. Wij zetelen ons getweeën aan een tafeltje en moeten van enige afstand op geliefden lijken. Ik keuvel wat verder over mijn vliegen. Heel even onderbreekt R. mijn monoloog en neemt zelf het woord. Ik sluit mijn ogen. Als ik ze weer open, is R. verdwenen. De zaak is uitgestorven en baadt in het kunstlicht. Slechts barman Y. Is nog aanwezig. Hij verricht de laatste schoonmaakwerkzaamheden aan zijn tap. Y. zegt dat ik hem nog nooit zo weinig sores heb bezorgd. Aangezien ik niemand in de weg zat, heeft hij me laten meuren. Zo ben ík over enkele uren fit genoeg om weer op het pluche in mijn hok te kruipen en heeft hij geen last van me gehad. Ik bedank Y. beleefd, reken af en geef hem een gepaste fooi. Deze situatie kent slechts winnaars.
     Enkele weken erna zit ik weer in Mondriaan. Op de bar staan stemmige kaarsjes. En stemmig betekent hier: brandend. Tijdens mijn conciërge-uren draag ik mijn haardos decent in een staart. Nu hang ik echter een vage interpretatie van Conan de barbaar uit. De werkelijke Conan mag dan een geile woesteling zijn, ik denk niet dat ie hier ter plaatse mijn consumptietempo zou bijhouden. Wel zou hij de kaarsen wat beter in de gaten houden. Op een onbewaakt ogenblik speel ik café Volendam avant-la-lettre. Ik vat vlam. Barman Y. spoedt zich als de brandweer in mijn richting, pakt zijn pouleerdoek en slaat de vlammen uit. Naast mij geeft een klant te kennen dat het Y. zijn fooi zal kosten als hij deze actie ooit nog herhaalt. Y. grijpt ’s mans pils van de toog en geeft hem vriendelijk, doch gedecideerd te kennen dat verdere verpozing in het etablissement hedenavond utopisch is. Zo gaat dat in de Witte de Withstraat. Men zorgt voor elkaar. En buitenstaanders dienen zich daar niet mee te bemoeien.

Een aantal jaren later heeft ramenlapper V. De Schouw verworven. De nieuwe eigenaar heeft de kroeg aardig op laten kalefateren. Waar het café voorheen enigszins in het slop was geraakt, is de gang er weer behoorlijk ingekomen. Bijna iedere avond is het er gezellig druk. En met gezellig druk wordt de situatie bedoeld dat er altijd cliëntèle aanwezig is, maar dat de kneip niet dermate afgeladen is dat er voor stamgasten geen zitplaats meer resteert. Op deze zaterdagavond ben ik na afloop van het borreluur echter al snel de enig overgebleven klant. Ik heb geen avondmaaltijd genoten en overweeg naar huis te gaan. Maar ja, een barman met een volkomen lege zaak opzadelen, dat doe je niet. Een ongeschreven wet, in deze contreien. En al helemaal niet als de dienstdoende barman tevens eigenaar van de kroeg is. Ik volg dus het aloude adagium ‘eten is voor mietjes’ en houd V. gezelschap. V. beknibbelt op zijn beurt niet op consumpties van de zaak. Met zijn tweeën hebben we het best naar ons zin. In dergelijke situaties komt men nog eens tot een goed gesprek. Men leert elkaar kennen en waarderen.
     Een aantal uren voor sluitingstijd druppelen dan toch nog klanten binnen. Ik zou nu weg kunnen gaan gaan, maar huldig het principe van afmaken waarmee je bent begonnen en blijf dus bestellen. Iets na tweeën verlaat ik met wankele tred De Schouw. Als ik thuis bijna bovenaan de trap ben, grijp ik tevergeefs naar de leuning. Ik dreig achterover te vallen. Om niet mijn nek te breken, draai ik me om en spring naar beneden. Helaas. Ik kom met mijn voet op de onderste trede terecht en mijn onderbeen zwikt dat het kraakt.
     Na ambulance, morfine, zetten van het been en een vijf uur durende operatie vertelt de chirurg me de volgende ochtend dat ik mijn been op drie plaatsen heb gebroken. Het scheenbeen is dubbel, het kuitbeen enkel doormidden gegaan. Ik deel de medicus mee dat ik een net mens ben. Dat ik weet hoe het hoort. Drie maal een been enkelvoudig breken belast het hospitaal immers stukken zwaarder dan mijn oplossing. Je kunt die ambulances nu eenmaal niet blijven bellen.

Het is een herfstachtige winteravond of een winterse herfstavond in 2004. Niet veel maanden voordat Ruut Bierzaaierd zijn entree als barman in café De Schouw zal maken, kondigt hij zijn opwachting reeds aan. Op het grote scherm wordt duidelijk dat Feyenoord het in de Europa Cup niet gaat bolwerken tegen het clubje Teplice uit een of andere achterlijke Tsjechische provincie. De toekomstig barman geeft luidkeels te kennen Teplice wel te zien zitten. Wie het niet met hem eens is, noodt hij hem dan maar omver te kegelen. Voorkomend als ik ben, geef ik Ruut Bierzaaierd een ram. Die komt nauwelijks aan; hij grijpt mijn arm beet. Aldra doen wij een innige horizontale dans over de kroegvloer, onderwijl trachtend malkanders ledematen af te bijten. Na een twintigtal seconden grijpt bardame W. in. Wij staan op, vermannen ons, trekken de kleij recht, maken uitgebreid wederzijds excuses en ik bied Ruut Ramzaaierd een bier aan. Niet lang erna retourneert hij mijn geste. Na over en weer nog wat gevulde kelken te hebben uitgewisseld geeft bardame W. mij te kennen dat ik het pand nu toch echt moet verlaten. Ik mag mij dan met de heer Ramzaaierd hebben verzoend, ik blijf de agressor. En als die dan wellicht geen straf verdient, heeft hij inmiddels wel zo veel in zijn mik dat het inruktijd is. In de wetenschap dat wie ram zaaide, bier heeft geoogst, reken ik zonder morren af. Klagen geeft hier immers geen pas.
     Want in de Witte de Withstraat komen alleen nette mensen.

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel