LAT-RELATIE

15-8-2013 11:53

Door Stefan van Hoek

 

Goed. Ik zit dus op het terras van een anoniem café, waarvan ik de naam niet zal noemen, want voor ik het weet word ik verdacht van het huiscopywriterschap van voormalig journalistencafé De Schouw in de Witte de Withstraat. Ik zit dus op een terras, iets schuin tegenover dat van café Iez, naast dat van De Witte Aap en diagonaal tegenover dat van het Nieuw Rotterdams Café. Op dat laatste at ik onlangs een stuk citroen-merengue taart, dat smaakte alsof er een engeltje citroen-merengue taart over mijn tong scheet. Met deze iets aangepaste zegswijze bedoel ik dat de citroen-merengue taart me erg, erg goed smaakte. Van dit feit maakte ik gewag op sociaal medium Facebook, maar zonder foto erbij te plaatsen. Ik werd nog net niet met de dood bedreigd. Desalniettemin waren schunnige verwensingen en zevenenvijftig – al dan niet gepaard gaand met hysterisch commentaar – ontvriendingen mijn deel.

Maar inmiddels zit ik dus op het terras van dat anonieme café en constateer tevreden dat de met spijkertjes vastgeslagen houten latten nog steeds prima op hun plaats zitten. Ik buig mijn hoofd voorover, tot mijn ogen zich een fractie boven het tafeloppervlak bevinden en geniet intens van de taps richting einder toelopende banen tussen de latten, die alle exact even breed lijken te zijn. Hier is goed werk geleverd, constateer ik. Als ik mijn hoofd weer omhoog doe, zie ik hem aan de overkant van de straat uit een taxi stappen: Superman. Ik heb al meerdere malen met hem op een terras gezeten, maar dat was altijd bij een café op de Oude Binnenweg: Timmer, Visser, Melief Bender, De Vijgeboom. In de Witte de Withstraat heb ik hem nog nooit gezien. Maar nu komt hij wel degelijk op het terras van het anonieme café aflopen, de tred van een aangeschotene, ietsjes wankel, maar verre van dreigend slagzij te maken. Wonderbaarlijk, want waarschijnlijk heeft Superman naar goed gebruik al de hele dag zitten zuipen. En dat op zijn leeftijd. Hoe oud precies weet ik niet, maar ik heb onthouden dat hij al behoorlijk op leeftijd is en dat hij knetterveel kan zuipen. Verder heb ik niet veel van hem onthouden; ik herken hem, dat is al heel wat. Alle keren dat ik met hem op het terras heb vertoefd, dronk ik zelf ook nog niet bepaald ijsthee. Veel weet ik me dan ook niet van onze gesprekken te herinneren. Misschien waren ze ook wel dermate oninteressant dat het des te aantrekkelijker was me immuun voor zijn geouwehoer te zuipen.

Hij heeft inmiddels de stoep bereikt. Als hij op het terras wil zitten, zal ie bij mij aan tafel komen, schat ik in. Rondom de overige tafels zijn ongeveer alle stoelen bezet. Drie seconden later krijg ik gelijk. Hij vraagt of de stoel tegenover me vrij is. Ik knik. Hij gaat zitten, maar wekt niet de minste indruk me te herkennen.

Helemaal met een taxi uit Brasschaat hierheen komen rijden, niet in die waar ik net uitstap, maar vanochtend al” zegt hij en drukt de bril, die van zijn neus dreigt te glijden, terug tegen zijn voorhoofd. “Ligt vlak over de grens, Brasschaat. Ben ik dertig jaar geleden gaan wonen, want het zijn dieven hier, van de belasting. Altijd hard gewerkt voor mijn geld. Altijd bij de marine gezeten. Wil u wat drinken, meneer? Ik spreek twaalf talen. Komt omdat ik altijd aan wal ging als we ergens met de marine lagen. Ik pik die talen machtig snel op. Veertien talen spreek ik.” Hij begint in gedachten te tellen en steekt bij elke taal telkens een volgende vinger op.

Doet u mij maar een ijsthee,” maak ik gebruik van de stilte die hij laat vallen. “De buffetjuffrouw weet wel wat ik er in wil.” Ik voel een hak venijnig op mijn tenen gaan staan. De uitbaatster van het anonieme café was in mijn rug ons tafeltje al genaderd. Ze houdt er niet van 'buffetjuffrouw' te worden genoemd.

Doet u mij een bier, doe die meneer een ijsthee en neem zelf ook wat,” zegt Superman tegen de uitbaatster.

Een biertje en een ijsthee, zelf heb ik nog,” antwoordt de uitbaatster.

Dan drinkt u dat maar snel op en neemt u de volgende van mij. Volgende week word ik eenentachtig. Altijd bij de marine gevaren. Ik heb een goed pensioen. Maar ik kan het niet mijn graf in meenemen. Leugenaars zijn het hier. En dieven. Mevrouw, neem wat te drinken van me.”

Ik heb nog, meneer.”

Mevrouw, eenentachtig, volgende week, al dertig jaar in Brasschaat, met pensioen, dieven zijn het van de belasting, bij de marine en van die grote pilzen, Gerard Cox, die kwam in café Timmer, 'ik hoef niet te betalen', zei ie dan, dat was een bekende Nederlander, die vond dat hij niet hoefde te betalen, dat de mensen in het café kwamen omdat híj daar was, die liep altijd gewoon weg aan het einde van de avond, vond dat ie niks hoefde te betalen, neem wat te drinken van me mevrouw.”

Omdat u zo aandringt. Ik neem een cola light,” zegt de uitbaatster, haar vermoeidheid slechts half verhullend. Ze pakt de lege glazen van de tafel, draait zich om en loopt naar binnen.

Superman buigt zich naar me toe en drukt zijn bril weer terug. “Dat zouden ze in België nou nooit doen, hè,” vertelt hij op fluistertoon verontwaardigd tegen me. “Als je daar het personeel wat te drinken aanbiedt, is het van 'nee, wij kunnen da zelf pakken' en vervolgens bieden ze jou wat te drinken aan. En als je weggaat, zeggen ze netjes 'bedankt voor den klandies'. Hier moet je doen alsof je blij mag zijn dat je geholpen bent. Krijg je net geen honkbalknuppel in je nek als je te weinig fooi geeft. Maar ik heb het goed voor mekaar. Met de taxi uit Brasschaat. Eerst naar de Oude Binnenweg geweest. Vijgeboom, Melief Bender, toen Timmer. Gerard Cox was er niet.”

Ik heb Gerard Cox hier één keer in deze kroeg gezien,” antwoord ik. “Hier moest hij gewoon betalen, hoor. Maar niet veel. Hij ging al snel weer weg. Ze vroegen steeds aan hem of hij in Zeg 'ns “A” had gespeeld.

Avonturen meegemaakt bij de marine. Altijd de wal op. Dertien talen. Vlaams niet meegerekend. Zestig bier per dag drink ik. En grote hè. Ja, doe ik de hele dag over, hoor, zestig. Dieven zijn het. Maar ik kan het niet meenemen mijn graf in. Dus dan maak ik het maar op. Wil u nog wat te drinken van me? Gerard Cox, die betaalde nooit in Timmer. Van het weekend hebben ze in Vlaanderen gevierd dat het 150 jaar geleden was dat de Scheldeblokkade is opgeheven. Dieven zijn het, Nederlanders. Altijd de haven van Antwerpen geblokkeerd. Daarom is Rotterdam zo'n grote haven geworden.”

Antwerpen is ook niet de meest logische plaats om een Belgische zeehaven te situeren,” werp ik tegen. “Moeten al die schepen eerst nog ongeveer veertig zeemijl via de Westerschelde over Nederlands grondgebied varen.”

Ik was de eerste van de Nederlandse marine die het in Noorwegen met een negerin deed. Altijd de wal op. Noors, Zweeds en Deens, spreek ik. Fins niet, maar dat lijkt op Russisch. Spreek ik ook, Russisch. Nooit negerinnen op de wal, in Rusland. Dieven zijn het, die Russen. Gas van de Oekraïene pikken. En van mekaar. Poetin, boef. Heeft zijn tegenstander gas, stuurt ie 'm zo naar de Goelag Archipel. Nooit geweest, Goelag Archipel. Wat denkt u? Zouden ze daar negerinnen hebben, in de Goelag Archipel? Zestig bier. En geen kleintjes, hè.”

België heeft negentig procent van de uitdieping van de Nederlandse Westerschelde betaald,” ga ik verder, als de uitbaatster een glas bier en een ijsthee voor ons op het tafeltje heeft gezet. “Allemaal uitgevoerd door Nederlandse baggeraars. Als die Belgen verstandig waren geweest hadden ze de haven van Antwerpen nooit uitgebreid, maar hadden ze bij Oostende en Zeebrugge een soort Maasvlaktes aangelegd. Wat dat betreft heeft Rotterdam het slim gedaan. Gewoon in zee uitbreiden.”

Komt Gerard Cox hier ook weleens? Is geen grote drinker, hoor. Komt meer voor de gezelligheid. Hoeft ook nooit te betalen. 'Straffe blonde meid op een racefiets' zong die, toch? Gaat altijd met een taxi weg, als ie in Timmer is geweest. Had zo'n leuk vrouwtje, vroeger. Kom, hoe heet ze? Dertig jaar al, in Brasschaat. Ja, niet altijd met een taxi, hoor. Eenentachtig word ik, volgende week. Wil u nog wat drinken? In Vlaanderen drinkt het personeel niet van de klanten. 'Bedankt voor den klandies', zeggen ze daar als je weggaat. Veertien talen, spreek ik. Vijftien. Ik vergeet de taal van de liefde,” lacht hij tevreden.

Vlak na de oorlog was de haven van Antwerpen nog groter dan die van Rotterdam. Tegenwoordig is die van Rotterdam twee keer zo groot. En dan is Antwerpen nog de tweede haven van Europa. Hamburg de derde. Ligt net als Antwerpen reuze handig, eerst mijlen lang stroomopwaarts een zeearm opvaren.”

Hamburg. Reeperbahn. De Kaap is de Kaap niet meer. Dieven zijn het. Vroeger had je Katendrecht nog. Niks meer van over. Ja, een boot die niet meer vaart. Lag er vroeger nooit, die boot. Lag bij de Holland-Amerikalijn. De eerste Nederlandse marineman met een negerin in Noorwegen. Maar ik kan het niet meenemen mijn graf in. Kan ik een boek over schrijven. Heb ik geen geduld voor. Moet altijd op café. Zo zeggen ze dat in Vlaanderen hè: 'op café'. Naar de kroeg, betekent dat. Zestig bier, grote pilzen hè. Ja, doe ik de hele dag over hoor. Gerard Cox is nooit een echte drinker geweest. Meer een wielrenner. Samen met dat leuke blonde vrouwtje van 'm, op de racefiets. Heeft ie ooit nog eens een liedje over geschreven. Kom, hoe heet ze nou? Eenentachtig word ik, volgende week.”

Eenentachtig,” mompel ik voor me uit, omdat ik al enige tijd het idee heb dat Superman niet echt naar me luistert. “Dan was u twaalf toen de oorlog eindigde. Dus nooit echt ons land verdedigd. Hoogstens nog een staartje Hitlerjügend mee kunnen pikken in dienst van de andere partij. Later bij de marine in ons Indië pas echt aan oorlogsmisdaden toegekomen. En als vroeg-gepensioneerde marineparasiet onmiddellijk op kapitaalvlucht naar de zuiderbuur gegaan.” Ik kijk hem aan. “Weet u wat? Doet u mij nog maar een ijsthee.”

Meneer,” zegt hij. “Dat ga ik binnen voor u bij die juffrouw bestellen. Onze conversatie was me een waar genoegen. Doet me deugd nog eens een goeie Nederlander te hebben ontmoet.” Hij staat op en steekt zijn hand naar me uit. Een moment dreigt hij voorover te vallen. Hij zoekt steun bij de tafel, die in mijn richting verschuift. Een glas wankelt en dreigt te vallen. Snel neem ik het in mijn hand. Over mijn schouder kijk ik hoe hij naar binnen schuifelt. Dan draai ik mijn hoofd en kijk voor me. Alle houten latten zitten nog op hun plaats.

 

Afbeelding/www.comicvine.com

 

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel