JOFEL?

23-9-2013 12:33

Door Stefan van Hoek

 

“Dat veel Spanjaarden het stierenvechten als nationaal cultureel erfgoed beschouwen, betekent niet dat Nederlanders dit met mierenneuken moeten doen.”

 

– Reinout de Vries –

 

 

Bovenstaand adagium komt noch uit de losse pols, noch heeft Reinout de Vries het uit de lucht gegrepen. Ruim dertig jaar werkt hij inmiddels zowel binnen als buiten de grenzen van de ingepolderde moerasdelta, genaamd 'Nederland'. Het mierenneuken slaat op de doorgedraaide regelgeving in Nederland, het land waar hij – ondanks soms opborrelende tegenzin vanwege bedilzucht – nog steeds woonachtig is.

    Toch verwacht hij niet dat ik een boek over de tekortkomingen van zijn thuisland schrijf. Het gaat veeleer over problemen, maar tegelijkertijd ook humoristische situaties, die gepaard gaan met internationaal handelsverkeer. Bij de communicatie tussen twee personen van dezelfde nationaliteit is al sprake van een discrepantie tussen de bedoeling van de woorden van de zender en de interpretatie ervan door de ontvanger. Komen daarbij ook nog eens culturele afwijkingen en verschillen in landsaard om de hoek kijken, dan is het misverstand vaak meer nabij dan gewenst en ligt de klucht op de loer.

 

Bij tijd en wijle wordt Reinout de Vries gevraagd voordrachten te geven op ROC's, de Hogeschool Rotterdam en de Erasmus Universiteit over zijn ervaringen in het internationale bedrijfsleven. Na een opmerking van een toehoorder dat hij de rest wel in diens boek zou lezen, is Reinout tot de conclusie gekomen dat dit prozawerk inderdaad maar realiteit moest worden. Vanwege de toon van mijn stukken op Stadslog is hij bij mij terechtgekomen.

 

Tijdens zijn spreekbeurten schetst De Vries onder meer humoristisch dat Ronald Reagan in zijn tijd als minister-president van de VS minstens een zweem van vooruitziende blik moet hebben gehad toen hij abusievelijk Brussel de hoofdstad van Nederland noemde. Want verdomd, anno nu begint het er – met de uitdijende zeggenschap van Europa – steeds meer werkelijk op te lijken!

    Daarnaast mag hij graag het verhaal aanhalen van de Chief Executive Officer van MG Rover, een Britse autofabrikant. De Duitse automobielgigant BMW had Rover overgenomen, waarna er dus een Duitser aan de leiding van het bedrijf kwam te staan. Een Brits managementsteamlid meldde de CEO met typerend gevoel voor understatement dat er “a slight problem” was. Dat kon niets bijzonders zijn, concludeerde de CEO. In werkelijkheid stond er een assemblagehal in brand.

    Later tijdens het gesprek geeft Reinout toe dat hij de anekdote over de Rover-Duitser tijdens spreekbeurten wel gebruikt, maar dat die oorspronkelijk afkomstig is van een journalist van het Algemeen Dagblad.

 

Ik ontmoet Reinout in grandcafé NRC in de Rotterdamse Witte de Withstraat. Het voordeel van deze locatie is dat het op dit tijdstip – kwart over tien 's ochtends – nog niet druk is. Het interieur ontbeert bovendien de voor interviews storende akoestiek van vergelijkbare etablissementen als het Westerpaviljoen en vooral de Rotterdamse galmzaal bij uitstek: Dudok. Daarnaast interviewde ik Reinout hier al eens tot ons beider tevredenheid over zijn bedrijf, dat onder andere in vooruitstrevende legionellabeheersingstechniek handelt – een techniek die momenteel ook in het Feyenoord-stadion wordt geïmplementeerd. De techniek zorgt er simpelweg voor dat eenvoudig na te gaan is welke tappunten – en nee, het gaat hier niet over bier-, maar over waterkranen – toe zijn aan een verplichte spoelbeurt en bij welke deze achterwege kan blijven. Dit levert een forse waterbesparing op.

    De fabriek die de techniek levert voor zijn systeem bevindt zich in Tsjechië, hetgeen Reinout wederom verhaalstof voor zijn lezingen aan de onderwijsinstellingen oplevert. Verhaalstof die overigens in het niet valt bij zijn eerdere ervaringen in Rusland en de voormalige Sovjet Unie.

 

Tevens vertelt hij over Nederlanders die ingepalmd door de gastvrijheid in een Arabisch land dermate op hun gemak raken dat ze hun ene been over het andere slaan en daarmee nu juist de gastheer schofferen. Deze vat die handeling op als het tonen van de voetzool, een gebaar van grove belediging. (Nee, de Nederlanders repliceren niet fijntjes met de mededeling dat een Arabier niet met zijn hoofd naar het oosten bidt, maar dat hij de westerse wereld zijn reet laat zien.)

 

Op een van zijn eerste reizen naar het Arabisch deel van Afrika – we schrijven de jaren zeventig van de vorige eeuw – belandde Reinout in het Libische zand in één tent met Muhammar Khadaffi, toentertijd al de leider van het Noord-Afrikaanse land. Tijdens die ontmoeting was De Vries – zich waarschijnlijk volkomen onbewust van plaatselijke riten en gebruiken – niet zo ongelukkig Khadaffi zijn voetzolen te tonen. Noch hem onder de neus te wrijven dat bidden naar het oosten het tonen van de derrière aan het westen was.

    Reinout maakt overigens helder inzichtelijk dat – zeker in de zeventiger jaren – de scheidslijn tussen goed en fout; en een duidelijk aantoonbaar dictatorschap van Khadaffi absoluut nog niet een uitgemaakte zaak waren. Toch beperkt hij zich bij het benoemen van het bedrijf en de plaats van herkomst ervan tot gefingeerde initialen, om niet achteraf nog zijn toenmalige opdrachtgever in discrediet te brengen.

 

Hoewel ik uiterst geboeid met Reinout heb zitten praten, blijf ik met veel te veel vragen zitten. Zo is de financiering me verre van duidelijk. Ik heb hem tevoren al aangegeven dat het uitgeven van boeken meestal geen winstgevende zaak is. Ik ben dan ook van mening dat hij het werk vooral als corporate vanity, bedrijfsijdelheid zal moeten beschouwen. En het belangrijkst: ik heb voor mijn eigen inzet nog geen honorarium afgesproken.

    Nu ben ik wel gekke, edoch niet krankzinnige Henkie. Ik heb vooraf bij mijn vader geïnformeerd hoeveel hij destijds heeft gekregen voor een boek dat hij schreef in opdracht van een reder. Het bleek om vijftienduizend gulden te gaan, drie maandsalarissen. Het boek verscheen overigens in 1987. Hedendaagse tarieven liggen – en dan kan het crisis zijn of niet – een stuk hoger. Het honorarium betrof bovendien puur het schrijfwerk. Onderhandelingen met de uitgever verliepen ofwel via de reder zelf, ofwel via derden.

    Zelf heeft Reinout bij me geïnformeerd of zijn verhaal niet iets voor mijn ruimte “Hoekig” op de Rotterdamse website “Stadslog” is. Daarop heb ik ontkennend moeten antwoorden. Er zijn mij vier Rotterdamse websites bekend: “Stadslog”, “Vers Beton”, “Bogue” en “Rotterdam Vandaag & Morgen” en ze zijn financieel allemaal even zwaar klote georganiseerd. Er is er niet één die zijn schrijvend medewerkers enige vorm van economische genoegdoening weet te bieden. De volkomen debiliteit van de versplintering zal dat overigens ook in de weg blijven staan. Al gaan er weleens stemmen over samenwerking op. Dat zal iets verder moeten gaan dan samenwerking. Opgaan in één groot geheel is de enige mogelijkheid tot rendabiliteit te komen. De naam van een eventuele toekomstige overkoepelende site zal mij persoonlijk volkomen aan de bilspleet oxideren.

 

De redenen dat ik zelf nog voor “Stadslog”schrijf, is omdat ik met “Hoekig” een mooi afgebakende eigen ruimte voor mijn proza en gedichten heb gekregen, op die manier over een archief in the cloud beschik en er een hoofdredacteur aan het roer staat die in mijn geval juist nauwelijks aan het roer staat. Erg belangrijk vanwege de tere inborst die ik als gevolg van een anti-autoritaire opvoeding heb geërfd. Een inborst die ervoor zorgt dat ik regelmatig in conflict met mensen raak. Daar zal ik dan maar schijt aan moeten hebben. Dan maar wat minder Facebookduimpjes van door mij gebruuskeerden. De mens heeft tegenwoordig geloof ik de indruk dat een digitaal duimpje een wettig betaalmiddel voor met veel inzet geschreven tekst is. Ik zal één ding verklappen: je kunt ook met je poeperd op het duimpje gaan zitten.

 

In het geval van Reinouts verhalen is het me geheel onduidelijk wie het boek moet gaan uitgeven, wie ervoor zal gaan zorgen dat uitgevers worden benaderd of dat De Vries het boek eventueel in eigen beheer zal willen uitbrengen. Zelf heb ik inmiddels mijn neus zo vol van onderhandelingen met uitgevers, afwijzingen omdat 'het taalgebruik niet in het fonds past', toezeggingen over uitgave gevolgd door afzegging wegens het uitblijven van subsidie, mededelingen dat een uitgever 'het werk met plezier heeft gelezen, maar niet goed weet hoe het in de markt te zetten' dat ik nog nul komma nul min drieduizend moeite ga doen een boek bij welke uitgever dan ook onder de aandacht te brengen.

    De kans dat ik met behoud van uitkering ga zorgen voor rijke dementerende bejaarden die hun geld in de welbekende oude sok bewaren, maar geen notie meer hebben waar die sok zich bevindt en hoeveel molm er ook weer in zat, acht ik oneindig veel groter. Of ik koop eens – als ik ooit in een jaar wél mijn vakantiegeld krijg gestort – in weerwil van mijn status als erkend gewetensbezwaarde een geweer, drink nog één keer anderhalve liter gintonic, zet de loop tegen mijn huig en haal de trekker over.

 

Ondanks al dit soort overwegingen verloopt het interview een kleine drie uur lang geanimeerd en naar behoren. Reinouts verhalen zijn boeiend en ik zie er absoluut heil in om ermee aan het werk te gaan. Maar dan zal het toch nog eerst een groot aantal keer eb en vloed bij Hoek van Holland moeten zijn geweest.

   We nemen pas afscheid als Reinouts volgende afspraak NRC binnenkomt. De drie glazen ijsthee die ik tijdens het interview heb gedronken, hoef ik niet af te rekenen, meldt Reinout.

    Jofel. Ik zou anders nog gaan denken dat ik de persoon ben die iemand heeft gevraagd een boek te schrijven.

 

 

Afbeelding/Bram Verloop

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel