Rotterdam pakt wéér niet door inzake armoedebestrijding

27-6-2016 10:38

Door Hans van Willigenburg

Het actieprogramma ‘Stevige Start’ zet allesbehalve actie in gang

‘De politiek heeft er geen belang bij om toe te geven dat het inzake armoede aan symptoombestrijding doet,’ beweerde hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen niet zo lang geleden in een interview met Stadslog Rotterdam. Nagenoeg perfect voorbeeld van deze symptoombestrijding is het nieuwe, zogenaamde  actieprogramma ‘Stevige Start’, een project dat met veel tamtam is gelanceerd door wethouder Hugo de Jonge (CDA). ‘Stevige Start’ loopt dáárom zo in het oog, dat het alle kenmerken lijkt te bezitten van imagogerichte, inefficiënte, van bovenaf gestuurde politiek, die niet alleen de beoogde doelgroep niet helpt, maar effectieve hulpverlening ook nog eens actief in de weg staat. Vier redenen waarom we van ‘Stevige Start’ moeten leren, zodat het geen vervolg krijgt.       

1.

Armoedebestrijding is niet gebaat bij bestuurders die zich via kortlopende trajecten, zoals het actieprogramma ‘Stevige Start’, eventjes op dit onderwerp profileren.

Elke wetenschapper kan je vertellen dat armoede een verschijnsel is dat bijna zonder uitzondering van generatie op generatie wordt doorgegeven. Als je van Rotterdam een meer gezonde en welvarende stad wilt maken en daarmee de situatie van Rotterdamse kinderen, waarvan er nu zo’n 40.000 onder de armoedegrens leven, duurzaam wilt verbeteren, is het zowat ridicuul om, zoals ‘Stevige Start’, een actieprogramma te ontwikkelen voor slechts vier jaar: van 2016 tot 2020. Vanaf de buitenkant  gezien klinkt dat aantrekkelijk en straalt het urgentie en daadkracht uit, maar in werkelijkheid wordt het achterliggende probleem, armoede, in een volstrekt willekeurig tijdvak geperst, dat vooral goed uitkomt voor degenen die het beleid moeten verkopen. Dat de plaatselijke pers ‘hosanna!’ roept, met open ogen in deze retoriek trapt en de betreffende wethouder, als gevolg daarvan, staat te glunderen, geeft aan dat het bewustzijn rond de taaiheid van armoede en armoedegerelateerde problemen in Rotterdam amper aanwezig is.

2.

Het project ‘Stevige Start’ noemt zichzelf een actieprogramma en in naam is dat precies wat er inzake het garanderen van gezonde, eerste levensjaren nodig is (actie!). Alleen blijkt de actie verbluffend weinig om het lijf te hebben en werkt het veelomvattende, wél effectieve begeleiding tijdens de eerste levensjaren tegen.

Als je de naam van het programma ‘Stevige Start’ maar een beetje recht zou willen doen, zou je op zijn minst denken dat gemeente onderweg is om nieuw geboren baby’s in Rotterdam die ‘Stevige Start’ uit de naamgeving te bezorgen. Dat zoiets veel aanpassingen en reorganisatie vraagt en dus niet in korte tijd voor alle baby’s kan worden gerealiseerd, is duidelijk. Maar wie het programma goed leest, komt tot de ontdekking dat ‘Stevige Start’ helemaal niet als doel heeft om de situatie duurzaam te verbeteren, of daarmee een eerste begin te maken. De actie beperkt zich tot 300 extra huisbezoeken. Op zo’n 8000 geboortes per jaar kun je dat, gezien de ernst van de problemen achter de voordeur, gerust een druppel op een gloeiende plaat noemen. Het kwalijke zit hem er niet zozeer in dat die extra huisbezoeken plaatsvinden (met goede wil kun je zeggen: alle beetjes helpen), maar dat de gemeente met ‘Stevige Start’ nogal rondborstig suggereert dat daarmee de aanval op medische en sociale complicaties in de eerste levensjaren is ingezet (waardoor écht effectieve actie niet meer nodig lijkt). Terwijl er, kijkend naar de cijfers en de voorgenomen actie, eerder sprake is van een speldenprik dan van een serieuze aanval. In feite is ‘Stevige Start’ als programma misschien zelfs te mager om van serieuze symptoombestrijding te kunnen spreken. Er worden een paar natte pleisters geplakt op een gapende, bloedende wond. Meer niet.

3.

Het programma ‘Stevige Start’ is niet ingericht op een manier die de doelgroep van kwetsbare kinderen en kwetsbare ouders zo duurzaam mogelijk (dus langjarig) van ondersteuning voorziet, maar op een manier die aansprekende statistieken produceert voor de instanties die erbij betrokken zijn.          

Om kwetsbare moeders effectief terzijde te staan en te helpen bij een gezonde zwangerschap en een verantwoorde opvoeding in de allereerste levensfase, heb je ervaren, goed opgeleide (HBO)-krachten nodig. Het programma ‘Stevige Start’ ziet dat heel anders. Het introduceert zogenaamde ‘mentormoeders’, die gerekruteerd worden uit een kaartenbak van werkzoekenden. En de vraag of deze uitverkorenen zin hebben in of ervaring hebben met het begeleiden van moeders speelt gek genoeg geen enkele rol, want het worden van ‘mentormoeder’ is voor hen een laatste redmiddel om hun uitkering te behouden. Met andere woorden: ‘Stevige Start’ neemt de vreemde taak op zich kwetsbare moeders onder druk te zetten vanuit de al even vreemde gedachte dat zij bij uitstek geschikt zijn andere kwetsbare moeders effectief te begeleiden bij de opvoeding. Hoewel ‘Stevige Start’ officieel een training aanbiedt aan deze moeders met een uitkering en ze daarmee zou ‘voorbereiden’ op hun taken als mentormoeder, is de kans reëel dat deze moeders, gezien hun eigen achtergrond, een type pedagogie propageren die eerder schadelijk dan heilzaam is. ‘Stevige Start’ stelt dus niet het complexe vraagstuk van kwetsbare moeders en hun kinderen centraal, maar van het cosmetisch bijwerken van statistieken. Want elke mentormoeder kan voor de bühne worden opgevoerd als een eclatant succes, die met haar tegenprestatie ‘dichterbij de arbeidsmarkt’ komt - hiep, hiep, hoera. Hoewel je nooit mag uitsluiten dat projecten als ‘Stevige Start’ met de beste bedoelingen worden opgetuigd, riekt het naar cynisme om zwakke burgers andere zwakke burgers te laten helpen.       

4.

Het programma ‘Stevige Start’ is een al te sprekend voorbeeld van ‘het organiseren van problemen rond een bestuur’, waar de ernstige situatie in Rotterdam juist dringend behoefte heeft aan ‘een bestuur organiseren rond problemen’.

Uit alle ervaringsgeschiedenissen en vakliteratuur is inmiddels gebleken dat kwetsbare burgers om allerlei verschillende redenen ‘aan de rand van de maatschappij’ terecht kunnen komen, maar dat de kern van hun problematiek opvallend eenduidig is: dat ze niet of onvoldoende meer het vermogen bezitten tot zelfstandig organiseren. Waar bij zelfstandige burgers orde heerst (financiën, huisvesting, gezin, inkomen), heerst bij kwetsbare burgers permanente verwarring, chaos. Elke pretentie kwetsbare gezinnen en kinderen te helpen bij het realiseren een ‘gezonde, stevige start’ – zoals het actieprogramma ‘Stevige Start’ dat pretendeert – zou daarom moeten beginnen bij het versterken van dat organiserend vermogen. Dat gebeurt hier niet. Integendeel. Zoals wel vaker het geval is, is ‘Stevige Start’ juist de aanjager van meer bezoeken aan meerdere instanties met als mogelijk gevolg nóg weer meer hulpverleners die op grond van eigen expertises eigen diagnoses stellen; met de mentormoeder als onthutsend dieptepunt (zie boven). Dergelijke vormen van hulpverlening - zo is uit ten treuren bewezen - hebben eerder een ontwrichtende dan een heilzame werking op het organiserend vermogen van kwetsbare gezinnen en individuen. Per saldo lijkt ‘Stevige Start’ dus niet opgericht om complexe problemen voor een grote groep mensen op te lossen, hun situatie op een effectieve manier te vereenvoudigen, maar een klein aantal (gemeentelijke) organisaties de handvatten te geven om tegenover de buitenwereld te kunnen volhouden dat ze ‘hard bezig zijn’, er ‘iets aan doen’.

Overheid en armoedebestrijding, wérkt dat wel?

Terug naar het interview met hoogleraar Paul Frissen, die als decaan van de NSOB (Nederlandse School voor Openbaar Bestuur) als een invloedrijke ‘schoolmeester’ van toekomstige generaties ambtenaren mag worden beschouwd. Hij is daarin opvallend eerlijk over de motieven van de overheid om armoede te bestrijden. En legt het mechanisme bloot achter het steeds weer met miljoenen aan belastinggeld optuigen van programma’s als ‘Stevige Start’, zonder daadwerkelijk resultaat te boeken: ‘   

‘Zoals de socioloog Abram de Swaan al zei: geef de armen wat geld, dat is goed voor de economie en zorgt ervoor dat ze niet in opstand komen. Dat de overheid niet wil dat grote groepen mensen door een ondergrens zakken, heeft dus een economische en veiligheidsgerelateerde achtergrond. Voeg daarbij  dat de welzijns- en opbouwwerkers belang hebben hun eigen clientèle in stand te houden en je hebt flink wat redenen in handen om te twijfelen aan de overheid als bestrijder van armoede. De overheid wil vooral dat de economie blijft draaien en de openbare orde niet in gevaar komt en neemt de armoede zelf vervolgens voor lief.’

Toch wil de overheid, in dit geval wethouder Hugo de Jonge, het telkens opnieuw doen overkomen alsof de overheid wél resultaatgericht armoedebeleid voert. In dit verband zit er nog één laatste addertje onder het gras. Op pagina 20 van het PR-document over ‘Stevige Start’ staat het programma ‘Moeders van Rotterdam’ vermeld. Een programma dat internationaal de aandacht heeft getrokken, aansprekende resultaten boekt en mogelijk in andere steden zal worden overgenomen. Het document suggereert dat ‘Moeders van Rotterdam’ een overheidsproject is (of laat omtrent de status ervan op zijn minst onduidelijkheid bestaan), terwijl de financiering en het inrichten van dit succesvolle programma nou juist buiten de overheid om heeft plaatsgevonden. En – wellicht – juist daarom wél die broodnodige, duurzame focus heeft inzake armoedebestrijding.

Harde eindconclusie

De harde eindconclusie moet welhaast zijn dat programma’s als ‘Stevige Start’ gedrochten zijn, die bestaande organisaties en structuren het alibi verschaffen druk bezig te zijn de Rotterdamse jeugd die spreekwoordelijke stevige start te bezorgen. En dat vrijwel alles in dit programma is afgestemd op de logica en de belevingswereld van de bedenkers in plaats van de noden van de doelgroep.

Te pretenderen kwetsbare kinderen een substantieel betere toekomst te geven door een paar extra huisbezoeken in te plannen en mentormoeders langs te laten gaan, is ronduit misleidend. 

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel