'Kansarmen ontsnappen steeds moeilijker aan armoede'

12-6-2015 11:42

Door Hans van Willigenburg

Acht redenen om ander armoedebeleid bovenaan de agenda te zetten

‘Of armoedebestrijding wel effectief is, lijkt me typisch een vraag van boekhouders en economen,’ zegt Gabriël van den Brink, hoogleraar Maatschappelijke Bestuurskunde in Tilburg. ‘Ik zou graag een fundamentelere benadering van armoede zien, waarin vragen als “wat is armoede eigenlijk?” en “waar liggen de daadwerkelijke wortels van de hedendaagse armoede?” vooraf gaan aan de bestrijding ervan.’ Eén van zijn alarmerende waarnemingen is dat de armoede in Nederland, en de westerse wereld als geheel, voor een steeds hardnekkiger kerngroep steeds moeilijker af te werpen is. ‘En het lastige is: je kunt voor deze onwenselijke ontwikkeling heel moeilijk een schuldige aanwijzen,’ aldus Van den Brink. ‘Want bijna iedereen doet z’n werk met de beste bedoelingen.’ 

In tijden zoals deze, waarin termen als ‘effectrapportages’, ‘nulmetingen’, ‘rendement’, ‘targets’ en ‘afrekenbaarheid’ tot diep in het overheidsapparaat zijn doorgedrongen, vormt Prof. Dr. Gabriël van den Brink een tegengeluid. Als geen ander kent hij de bedrieglijkheid van cijfers, statistieken en ogenschijnlijk tastbare resultaten. Maar hoe reageert onze innerlijke stem bij al dat gepresenteerde succes? Sluit deze aan bij de gevierde uiterlijkheden? Of ontwikkelt zich binnenin ons iets heel anders, wie weet een giftig mengsel, dat niet aansluit maar eerder tegengesteld is aan wat we als verworvenheden gepresenteerd krijgen? Hoe dan ook, volgens Van den Brink is de aandacht ‘voor wat mensen werkelijk drijft’ onder bestuurders nogal dun gezaaid. Dát, gecombineerd met de constatering dat armoede voor een kerngroep steeds meer ‘erfelijk’ dreigt te worden, lijkt de noodzaak van een ander armoedebeleid eens te meer onder onze neus te wrijven. Hierbij presenteert Stadslog op grond van een uitgebreid interview met Van den Brink acht redenen om dat andere armoedebeleid snel te gaan vormgeven en invoeren.

1. De funeste gevolgen van de gedachte ‘op school moet het leuk zijn’

‘Nog niet zo lang geleden stelde ik op een tentamen de open vraag wat de functie van onderwijs is. De antwoorden waren opmerkelijk. Zo’n tachtig procent van de studenten vond dat onderwijs er bovenal was om kinderen “sociaal gedrag” bij te brengen. Het daadwerkelijk leren werd grotendeels bij de ouders neergelegd: die moeten structuur geven en helpen met bijlessen en het maken van huiswerk. Het beeld laat zich samenvatten als: op school moet het leuk zijn en thuis leer je wat écht nodig is. De omgekeerde wereld, vergeleken met vroeger! Toen moest het thuis gezellig zijn en werd je op school de noodzakelijke discipline en leerstof bijgebracht. Gevolg? Onder jongeren wordt het kennis- en ontwikkelingsniveau méér dan vroeger bepaald door hun omgeving. Als je ouders laagopgeleid zijn, heb je pech. Ik pleit niet voor ouderwets stampen en drillen, maar constateer slechts dat de vrijere moraal op scholen niet in het voordeel werkt van de kansarmen.’

2. De keerzijde van vrouwelijke waarden in het onderwijs   

‘Omdat fysieke confrontaties op het schoolplein niet, of steeds minder, geaccepteerd worden en het “overleg”-model veelal de norm is, worden kinderen uit kwetsbare milieus eerder gelabeld als “problematisch”. Ook dat komt hun zelfbeeld en hun levenskansen niet ten goede.  Eerder dan wenselijk en goed is, verschijnt het RIAGG in beeld. Dat het RIAGG er is, is natuurlijk uitstekend. Maar die vroegtijdige problematisering heeft nadelige effecten voor kansarme groepen. ’

3. Zinvol werk wordt een privilege van de hoogopgeleiden

‘In mijn jeugd, in de jaren vijftig, gingen degenen die niet stil konden zitten, zeg maar de echte rouwdouwers, vroeg van school af, de fabriek in of ambachtelijk werk doen. Maar die alternatieven zijn steeds minder voorradig en zullen door robotisering in de toekomst nóg schaarser worden. De kansen om met een lage opleiding een zinvolle bijdrage te leveren aan de samenleving kalven daardoor, zeer waarschijnlijk, verder af.’

4Ondanks het feit dat niet meer mensen arm worden, verslechtert hun situatie

‘Sinds 1985 is het inkomensgebouw van Nederland ongeveer gelijk gebleven. Er is een grote middenklasse met daarboven een kleine elite van grootverdieners en daaronder een klasse van armen, die in omvang nagenoeg gelijk is gebleven. Is dat een reden om achterover te leunen? Allerminst. Ten eerste zijn de vermogens in Nederland veel ongelijker verdeeld dan de inkomens. En ten tweede: wie de rapporten van het SCP (Sociaal Cultureel Planbureau) kritisch leest, ontdekt dat er een onderlaag aan het groeien is die men als ‘precariaat’ omschrijft: mensen die op zowat elk vlak – werk, behuizing, liefde, inkomen – weinig zekerheid genieten. Bij het ‘precariaat’ stapelen zich de negatieve gevolgen op van een meritocratische benadering.  Bij hen ontbreken de vaardigheden om een vaste positie te veroveren. Deze mensen leven veelal in een permanente toestand van stress, waardoor ze blijvend in de problemen komen en hun kans om aan te haken alsmaar kleiner wordt. Tot het uitzichtloos is.’

5. Van nieuwe muren krijg je geen beter leven   

‘De PvdA zal het niet snel toegeven, maar het idee dat mensen een beter leven krijgen als hun huis vers gemetseld is en er fraai uitziet, klopt gewoon niet. Van nieuwe muren ga je niet anders denken, leren, eten of leven. Al die volkshuisvestingsprogramma’s zijn een ontkenning van de innerlijke drijfveren van de mens, die veel belangrijker zijn dan beleidsmakers zich voorstellen. Als je al die miljarden die de afgelopen jaren naar steen en beton zijn gegaan in, bijvoorbeeld, onderwijs had gestoken, was dat ‘precariaat’ misschien niet ontstaan of, althans, veel kleiner geweest dan nu het geval is. Maar dit laatste is speculatie. Die miljarden zijn nu eenmaal in muren gestoken.'

6. Ongebreidelde meritocratie is een ramp voor de kansarmen

‘Je ziet een sfeer ontstaan waarbij de gezonde, hoogopgeleide, verantwoord levende bovenklasse zichzelf op de borst klopt. En naar de niet of minder geslaagde medemens kijkt als eigen-schuld-dan-had-je-maar-beter-je-best-moeten-doen. Een gevaarlijke tendens. Die ideologie van ‘eigen verantwoordelijkheid’ is niet alleen een vorm van arrogantie, die het sociaal klimaat ernstig kan bederven. Het is daarnaast ook feitelijk onjuist. Het is kortzichtig om te denken dat je alles helemaal alleen bereikt, dat je de hulp van anderen niet nodig hebt. Ouders, leraren, scholen, vrienden en talloze nutsvoorzieningen hebben je succes altijd mede mogelijk gemaakt.’

7. Er is geen visie op armoedebeleid

‘Ik behoor niet tot degenen die zeggen dat je armoede definitief kunt opheffen. Want alleen al statistisch gezien zul je altijd mensen hebben die aan de onderkant zitten. Maar wat je als overheid wel moet bestrijden is het groter worden van dat ‘precariaat’. Met andere woorden: de overheid moet zorgen dat niet alle problemen bij één groep terecht komen. Op dat gebied zie ik nog geen baanbrekende ideeën. Er is vooralsnog geen overdacht beleid om een dergelijk scenario tegen te gaan.’

8. Het huidige armoedebeleid stelt niet de juiste vragen centraal

‘Wat ik als het kernprobleem zie bij armoedebeleid, is dat de overheid zich nauwelijks verdiept in de mensen die hulp nodig hebben. De vraag ‘Helpt wat wij doen hun probleem op te lossen?’ staat niet centraal. Of wordt soms niet eens gesteld. Vandaar dat de overheid jarenlang miljarden uitgeeft aan betere huisvesting, zonder zich te bekommeren om de vraag welk probleem ze daarmee voor de doelgroep nu precies oplossen. Als ik één dag de baas van Nederland zou zijn, dan zou ik tegen alle topambtenaren, Kamerleden en het hele kabinet zeggen: ‘loop eens een week mee in het leven van een kansarm gezin’. Als ze dat deden, zouden ze inzien dat veel beleid en regels voor die doelgroep slecht werken. En dat er een ander, menselijker en directer benaderbaar soort hulp nodig is. Denk aan coaches die zowel daadkracht als liefde aan de dag leggen. En kansarmen concreet op weg kunnen helpen naar een beter leven.’ 

Eerder publiceerde Stadslog Rotterdam al een gesprek met hoogleraar Paul Frissen over kansen voor Rotterdams armoedebeleid, klik hier

Afbeelding / www.brabantkennis.nl

 

 

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel