Hoe worden we weer trots op onze jeugdzorg?

12-1-2016 09:25

Door Gastauteur

Terwijl de maatschappij razendsnel verandert, staat de jeugdzorg stil. Angstcultuur en oude dogma’s verhinderen een effectievere manier van werken. Onveranderd slechte cijfers tonen aan dat de jeugd van Nederland het kind van de rekening is. Barend Rombout, directeur van Bureau Frontlijn te Rotterdam, weet dat je de situatie niet in één dag kunt veranderen, maar voelt juist daarom de dringende noodzaak essentiële denkfouten aan te wijzen. Zodat de contouren van een betere jeugdzorg duidelijk worden en iedereen in de sector vanaf morgen een nieuwe richting in kan slaan.

In een samenleving die in toenemende zegt ‘dat je krijgt wat je verdient’, rust er een zware taak op de jeugdzorg. Want de kans is groot dat de vele tienduizenden kinderen in Nederland die een valse start maken helemaal nooit in de positie komen om goed te gaan presteren, en te ‘krijgen wat ze verdienen’ (met een stroom van sociale problemen en frustraties tot gevolg). Op de jeugdzorg rust dan ook de zware taak deze ongelijkheid zoveel mogelijk in te perken. Vraag: neemt de sector deze – toegegeven, moeilijke – taak wel serieus genoeg? Of vindt het, veel minder ambitieus, dat het beperken van schade al een hele heisa is? De cijfers over mishandeling en huiselijk geweld lijken te   wijzen op een gebrek aan ambitie: ze zijn al jaren schrikbarend hoog. Daarbij tonen de machtige krachten binnen de jeugdzorg, helaas, ook nog eens weinig bereidheid tot koerswijziging of zelfkritiek. In dit artikel worden de lijnen uitgezet van een jeugdzorg die wél bij de naderende prestatiemaatschappij past, kinderen wél die uitgangspositie geeft om in een harde omgeving iets van hun leven te maken. Een jeugdzorg, kortom, waar we eindelijk weer trots op kunnen zijn omdat het al die kinderen die het moeilijk hebben wél een kans biedt ‘te krijgen wat ze verdienen’.

Het schadelijke stopwoord ‘veiligheid’

Eén van de kernbegrippen die het denken over een betere jeugdzorg in de weg zit, is het begrip ‘veiligheid’. Het wordt te pas en te onpas gebruikt en is maar al te vaak leidraad bij wetgeving, beleid en het handelen van jeugdzorgorganisaties.  De veiligheidsfetisj gaat er vanuit dat als er geen klappen vallen en geen gewonden, er in feite ‘niets gebeurt’ (of ‘niets aan de hand is’) en men dus met de armen over elkaar kan blijven zitten. Dit is een ernstige onderschatting van wat er in kwetsbare huishoudens daadwerkelijk aan de hand is. Dat het in een huishouden volgens de meest minimale normen ‘veilig’ is, betekent namelijk niet dat het goed gaat met de kinderen die er opgroeien, dat ze zich daadwerkelijk veilig voelen en geestelijk en lichamelijk voldoende ruimte ervaren om te leren, te spelen, fouten te maken, kortom: met vallen en opstaan gezond op te groeien. Door zich exclusief op veiligheid te richten en daar veel, zo niet alle inspanningen op af te stemmen, doet de jeugdzorg kinderen in Nederland schromelijk tekort. Veiligheid is immers maar een beperkt onderdeel van de thuissituatie. De focus op veiligheid is ook bijna niet los te zien van de (ongezonde) mediadruk, die aan structurele ongelijkheid nauwelijks aandacht besteed, maar wel groots uitrukt als er sprake is van buitensporig huiselijk geweld. Wat zou het toch goed zijn als de jeugdzorg uit deze contraproductieve spiraal (veiligheid->risicobeperking->mediadruk) zou weten te ontsnappen en vanuit een veel breder perspectief op het welzijn van kinderen een positieve agenda formuleert. Grote kans dat het (lastige) thema armoede dan op tafel zou komen, waar de jeugdzorg nu nog met een grote boog omheen loopt. Voor wie het niet weet: 423.000 kinderen in Nederland groeien op onder de armoedegrens.

Resumerend: veiligheid zou niet vertrekpunt van handelen moeten zijn, maar het resultaat van een overwogen traject dat zorgt voor een stabiele en gezonde situatie achter de voordeur. Dit botst  misschien met het politieke opportunisme van ‘damage control’, maar wat is nou belangrijker: de carrière van een politicus of het welzijn van kwetsbare kinderen?

Ontbrekende aandacht voor ouders en omgeving   

Naast de één dimensionale focus op veiligheid, is er nóg een vorm van eenzijdige aandacht die resultaten niet bevordert: die voor het individuele kind. Terwijl in bijna alle sociale en medische vakgebieden al bekend is dat alleen een integrale aanpak werkt (dus aandacht voor het kind én de omgeving!), slaagt de jeugdzorg er maar niet in om dat inmiddels grijs gedraaide begrip ‘integraal’ in de praktijk te brengen. Nog steeds acteert de jeugdzorg alsof het kind los zou staan van de ouders en het in zijn eentje de problemen zou kunnen oplossen, terwijl gedegen onderzoek aangeeft dat een duurzame, stabiele situatie voor het kind alleen te bereiken is wanneer het weer goed met de ouders om kan gaan of, in ieder geval, met ze ‘door één deur kan’.  Geen of weinig aandacht hebben voor ouders is dan ook op alle denkbare manieren een cruciale denkfout. Schulden, ontslag, dreigende huisuitzetting, gedoe met school, problemen met gezondheid, armoede en hoge stress: ze verhogen de kans dat ouders in de fout blijven gaan, dat wil zeggen, mishandelen, verwaarlozen of niet de juiste zorg geven aan het kind. Als je dergelijke oorzaken onvoldoende serieus neemt, te weinig in ouders investeert, en dus niet zorgt dat tegelijkertijd met de situatie van het kind ook de situatie van de ouders verbetert, is het jammerlijke ‘resultaat’ dat veel meer kinderen dan nodig uit huis worden geplaatst. Met allerlei torenhoge kosten voor de overheid en negatieve consequenties voor het kind én de ouders tot gevolg. Investeer je daarentegen wél in ouders, in de opvoedkwaliteiten, en verbeter je de sociale omstandigheden, dan kunnen veel ouders wel die liefdevolle ouder zijn die het kind nodig heeft. En kunnen ze samen wél weer een duurzame band smeden.

Smeed sterke, kritische collegialiteit

Dat de ‘integrale aanpak’ zoals hierboven geschetst ambitieus is (sommigen zullen vermoeid zeggen: onhaalbaar) en een sterke methodiek en organisatie vereist, dat mag duidelijk zijn. Des te ergerlijker en onbegrijpelijker is het dat jeugdzorgwerkers verantwoordelijk worden gemaakt voor hun eigen opleiding, steeds als individu worden aangesproken en verantwoording moet afleggen, als zijn ze  ZZP-ers. Deze individualistische, bedrijfachtige benadering zorgt ervoor dat er een voorkeur zal ontstaan voor trajecten met ‘makkelijke gevallen’, die relatief eenvoudig te doen en af te ronden zijn. En mochten jeugdzorgwerkers onverhoopt met ‘extreem lastige gevallen’ te maken krijgen, dan zullen ze, juist om hun reputatie en kans op werk te beschermen, risicomijdend gedrag gaan vertonen. Terwijl het tegenovergestelde nodig is! Stel je – bij wijze van gedachte-experiment – voor dat elke politieagent individueel verantwoordelijk zou zijn voor zijn of haar daden in diensttijd en daar knalhard, dus zonder enige groepsgeest en coaching binnen de politieorganisatie, op afgerekend zou worden, dan is het sterk de vraag of burgers zich überhaupt nog beschermd zouden voelen, omdat agenten steeds een afweging zouden gaan maken tussen hun eigen, onbevlekte blazoen en de noodzaak voor de burger in de bres te springen. Het benaderen van jeugdzorgwerkers als ZZP-ers leidt alleen maar tot een onwenselijke toename van risicomijdend gedrag en het in de steek laten van kinderen. Terwijl onderlinge solidariteit en collectieve resultaten van jeugdzorgorganisaties centraal zouden moeten staan (hoeveel kinderen willen we binnen welke termijn weer op ‘het rechte spoor’ hebben?),  gaat de jeugdzorg langzaam kopje onder in een individualistische angstcultuur, waarbij collega’s elkaar aftroeven in plaats van steunen. Deze angst leidt ertoe dat zaken onder het tapijt worden geveegd, taboes blijven bestaan en nooit wordt bereikt wat voor een goed functionerende jeugdzorg noodzakelijk is: openheid, transparantie. Alleen in zo’n cultuur kunnen hulpverleners elkaar goed ondersteunen en scherp houden.      

Woud van bureaucratie

Net als in het onderwijs na vele jaren de leraar wordt ‘herontdekt’ als spil van de onderwijskwaliteit, zo zou in de jeugdzorg het ervaringsvak van hulpverlener weer in het middelpunt moeten komen te staan. De boven beschreven angst voor onveiligheid en incidenten die door de media breeduit worden uit gemolken, heeft, daarentegen, een woud aan regisserende organisaties opgeleverd – Raad voor de Kinderbescherming, Algemene Meldpunt Kindermishandeling (AMK), Bureau Jeugdzorg, ‘Veilig Thuis’, Crisis Interventieteams, Jeugdzorgpleinen, wijkteams – die tezamen een ‘black box’ van bureaucratie zijn gaan vormen, zonder dat ze – en nu komt het! – via eigen hulpverleners voeling met de praktijk hebben, of in het beste geval: in zeer geringe mate. Conclusie? Er gaan sloten aan geld naar regisserende organisaties, die iets regisseren waar ze geen of vrijwel geen ervaring mee hebben en waarbij ze elkaar ook nog eens regelmatig misverstaan en in de haren vliegen. En het ergste van alles: ondertussen blijft het aantal kinderen dat lijdt onder mishandeling en andere ellende al jaren min of meer gelijk.

Zó herwint de jeugdzorg haar trots…

Om weer trots te kunnen zijn op de jeugdzorg in Nederland zou je morgen moeten beginnen met:

  1. Het drastisch inperken van het aantal regisserende organisaties in de jeugdzorg.
  2. Het kweken van beroepstrots onder jeugdzorgwerkers die ‘het echte werk’ doen in de gezinnen en ze het liefst ook beter gaan betalen (het zijn ‘de nieuwe helden’).
  3. Het opgeven van de illusie dat wetgeving ooit de drijvende kracht zal zijn bij het verbeteren van de jeugdzorg.
  4. Het durven uitspreken en registreren van concrete doelstellingen, zodat jeugdzorgorganisaties gestimuleerd worden die te halen en, als het niet lukt, te kunnen evalueren waarom niet.
  5. Meer aandacht geven aan (en investeren in) de omgevingsfactoren rondom het kind (ouders, familie, vrienden, school), zodat het er niet meer alleen voor staat en de kans op de terugkeer van een crisis aanzienlijk wordt verkleind.
  6. Meer ruimte geven aan de hulpverlener om de situatie in een gezin naar zijn of haar inzicht te verbeteren, in combinatie met een sterke, resultaatgerichte regisseur die gemaakte beslissingen en gekozen methodes met de hulpverlener doorneemt.  

Het hopen is op een nieuwe generatie jeugdzorgwerkers, die bovenstaande punten als vanzelfsprekend zien en niet als een hinderlijke inbreuk op de bestaande routines in de jeugdzorg.

Afbeelding / www.schakeninhoogland.nl

 

Rubriek Het feest van de praktijk

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel