Zwagerman in de Laurenskerk

9-2-2016 02:29

Door Gastauteur

Wie schrijft nu een boek met gedichten over God om kort nadat het klaar is de hand aan zichzelf te slaan? Joost Zwagerman schreef vorig jaar een boek met gedichten: ‘Wakend over God’ en niet lang nadat de bundel klaar was pleegde hij zelfmoord. Het zal wel een domme vraag zijn, het heeft immers helemaal geen zin om vragen te stellen over het hoe en waarom van iemands besluit om een einde aan zijn leven te maken. “En het ging toch net beter met hem”, of:  “hij was toch zo gelukkig met zijn nieuwe vriendin”. Of: “er was niemand te vinden die zo tégen zelfmoord was als Joost Zwagerman”. En daar past mijn vraag dan ook bij: “Hoe kan je nou net in gesprek met God zijn en er dan ineens tussen uit stappen?”

Ik had wel eens een boek van hem gelezen, best goed. Ik vond hem een beetje erg aanwezig in zijn beweringen over cultuur en politiek en literatuur, het moest allemaal met heel veel nadruk worden meegedeeld. Van die statements, waarbij ik denk: moet je nou zo nodig gehoord worden met je de-wereld-draait-door dwingend opgewonden toontje of heb je echt wat te vertellen? En die dichtbundel over God: een beetje ongemakkelijk. Zelfs kwam even de boze gedachte op dat hij pas na zijn dood voor de dag durfde te komen met zijn gedoe met God, omdat z’n vrienden van de Amsterdamse grachtengordel hem er wel om hadden uitgelachen.

Maar de kranten schreven over de gedichten van Zwagerman. Op de radio hoorde ik Bart Chabot, een vriend van hem, een  gedicht voorlezen: niet alledaags. Het boek staat op nummer 1 van de meestgekochte boeken in de afgelopen week en ook ik heb aan die score mijn bijdrage geleverd.

God, stelt Zwagerman in deze gedichten vast, is er niet meer. God was de vanzelfsprekende aanwezige in zijn jeugd, in het Alkmaarse katholieke gezin waar hij opgroeide.  Maar God verdween vanzelf, geruisloos en probleemloos, vloeiend uit zijn leven. Zoals het met zijn generatie is gegaan, ongeveer de mijne. Niet zoals bij de ouderen, Wolkers en ’t Hart, met slaande deuren, maar gewoon: afscheid genomen van iets dat overbodig geworden is.  “Al vroeg had ik het wel gehad met God. Let wel: niet met hen die in hem geloofden,” begint een gedicht. En in een ander: “Ik zet mijn kansen al lang niet meer op God.”

En ergens anders schrijft hij wat in zijn bestaan de plaats van God heeft ingenomen: de kunst, de kunstenaars, Vermeer, Rembrandt:

Gods hand blijft leeg, door godgelijke gloed geroerd

voed ik de handen van de kunstenaars,

waar al die godgelijkheid zich vol vuur

in samenbalt, tot in het weefsel van hun palmen.

Waarom dan nog een boek met gedichten, bijna alle 48 over God? Ontbreekt er wat in het bestaan wat niet door kunst, niet door iets anders kan worden opgevuld? Ik wil het wel weten, maar ik voel me er ongemakkelijk bij. Omdat Zwagerman, zo kun je het misschien lezen, zijn hand heeft uitgestoken, en geen God die hand heeft vastgepakt. Omdat hij er zelf het antwoord ook niet op weet, waarom zou iemand anders dat dan wel zo nodig moeten weten? Omdat het een beetje onsmakelijk is om een dode die zei niets met God te hebben na zijn dood alsnog bij de club van de gelovigen te halen. Maar wie was er over begonnen? Ja hijzelf.

God en de leegte, God en het einde, de dood lijken voor Zwagerman wel samen te vallen. Ik zoek, maar er wordt nooit wat gevonden, ik roep maar niemand antwoordt, ik val en er is niets dat mij opvangt.      

Ik heb er een andere gedachte bij, of ik ontleen er een voorstelling aan waarmee ik over Jezus en het vissen op het meer (Lukas 5, 1-11) en in de brief van Paulus aan de Corinthiers (1 Corinthiërs 15, 1-11) heb gelezen. De gedachte is deze: dat de leegte niet alleen of noodzakelijk een zwart gat is, of de dood, of het verschrikkelijke niets, maar dat de leegte een ruimte is, een heilige afstand, tussen mensen en God. En dat het al te menselijk is om die leegte te willen vullen met allerlei verklaringen, de wetenschap, religieuze of filosofische diepzinnigheden of wat dan ook.

Er is om te beginnen bij het evangelie van vandaag al het bootje waar Jezus in stapt. Hij vraagt de vissers om een eindje van het strand af te duwen op het water, waarvandaan hij dan de menigte op het strand toespreekt. Dat kun je uitleggen als praktisch: zo konden meer mensen hem zien en horen, omdat het water tussen hen in was.

Maar je zou het ook kunnen verstaan als een afstand die nodig is, omdat wat Jezus zegt niet zomaar één op één woorden zijn die gehoord en verstaan worden: er is een afstand, en in die ruimte tussen hem en de hoorders in is van alles: onbegrip en geloof, verheldering en verwarring, aantrekking en afstoting, liefde en haat. Er is een afstand waarin ruimte gemaakt  wordt voor het niet vanzelfsprekende. Dat wordt nog eens verteld in wat er na komt.

Als Jezus uitgesproken is, zegt hij tegen Simon, die later Petrus genoemd zal worden: vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen. Simon heeft er geen zin in: ze hebben de hele nacht al gevist, tevergeefs. Maar ze doen het en gooien het net uit. Het water, de diepte, wat daar beneden is, wat zich afspeelt, geen mens weet het, niemand kan het zien. Het zit vol met vissen die de netten tot barstens toe vullen.

En als ze al die vis in de boten hebben gehesen valt Simon Petrus op zijn knieën en zegt: ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens. Waarom? Omdat Simon even gedacht heeft aan de opbrengst van die vangst en dat hij gedacht heeft dat hij met al dat geld diezelfde avond naar het café van Kapernaum zal gaan om zich helemaal te bezatten en dan een of twee of drie lellebellen mee naar huis zijn bed in te slepen. Of omdat Simon in een flits gezien heeft dat zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid zo onmetelijk benauwd is en klein, dat er een dimensie is, een afstand, een ruimte die hij niet bevat, onmetelijk groot en hoog. Hij beseft dat en beseft dat hij niet beseft dat dit zo is.

Het lijkt een beetje alsof ik wil zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde dan een mens kan zien, en dat zal best wel zo zijn, maar daar gaat het hier helemaal niet om. Mensen vullen alles op, stoppen alles dicht, de ruimte die ze om te ademen nodig hebben, daar gaat het over.   

De mensen willen Jezus aanraken, ze willen bij hem komen. De kerk heeft die ruimte gevuld met een onvoorstelbare hoeveelheid troep: ze hebben de gebouwen volgestouwd met beelden, botjes van heiligen, regels en wetten, om het zichtbaar en dichtbij en beheersbaar te maken. Ze hebben God in dogma’s vastgelegd en kloppende theorieën bedacht die helemaal precies uitleggen hoe het allemaal zit, zodat je dat kunt geloven of er niet omheen kan het zo te zien.

Niet alleen uit het bestaan van Zwagerman is God weg, hij is uit onze wereld gegaan en heeft de deur achter zich dichtgetrokken. De behoefte van de mens om alles om zich heen te verklaren, uit te leggen, onder controle te brengen is er ondertussen niet minder op geworden. Alles wordt volgeplemt, bebouwd, vastgelegd, ontwikkeld met een onblusbare energie. Geen diepte in de zee blijft niet onderzocht en in kaart gebracht, geen oneindige verte in het heelal wordt niet met een telescoop beloerd. Geen vraag mag onbeantwoord blijven en dat leidt onherroepelijk tot een crisis. En voor of tegen het niets daarachter is er altijd nog een pil.

Het lijkt alsof Paulus in de brief aan de Corinthiers dat gebouw van de kerk en de religie en het geloof met hamer en spijkers nog eens degelijk en onbeweeglijk muurvast dichttimmert. Wat er achter zit is de verwondering van Paulus: de dood en opstanding van Jezus waardoor alle voorstelbare en denkbare dimensies van leven uiteengespat zijn en de mens staat daar als een zich verwonderend wezen, zich verwonderend dat ie er is door wat Paulus noemt “de genade van God”.

Zwagerman kan zijn God niet meer te leven wekken. Hij loopt eromheen, hij schudt eraan: hij vraagt hem: “zou je niet doen wat een God moet doen?” Er is voor hem geen verte meer met een horizon aan het einde alleen het beklemmende godloze zijn. Er is voor Zwagerman alleen het “hier” niet het daar, niet het dan of toen, en misschien daarom ook niet het ik en het jij. Het verschil zit hem in de ruimte die een mens niet kan invullen, niet kan bevatten of bezetten: de ruimte van het leven die aan een mens gegeven is, die hij niet perse betreden moet, die hij niet hoeft uit te leggen of te begrijpen, die hij niet moet koloniseren.

Deze preek is afkomstig van dominee Bernard van Verschuer en door toehoorder/journalist Christian Jongeneel aan Stadslog Rotterdam overhandigd, omdat het op ons blog 'niet zou misstaan'. En gelijk heeft hij.

Afbeelding / rvda.tumblr.com

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel