Wat schaam ik mij...

14-1-2016 12:03

Door Gastauteur

Stadslog-lezer en Rotterdammer Ray. D. IJk-Rubens zet in dit bewogen verslag vraagtekens bij de 'prioriteiten in onze samenleving', nadat hij voor Humanitas heeft schoongemaakt bij een oude mevrouw. Recht uit het hart!

Nog niet zo lang geleden is het groot nieuws dat er rellen gaande zijn in het Gelderse Geldermalsen. Er heerst daar een grimmige sfeer, ontstaan door protesten van lieden die angst zeggen te hebben en zich zorgen zeggen te maken over de komst van een azielzoekerscentrum (AZC). Terwijl dit nieuws tot mij doordringt, vraag ik me al snel af hoe mensen kunnen spreken over hun eigen angst wanneer zij, met geweld, angst in boezemen bij andere mensen om zo bepaalde keuzes en beslissingen te willen afdwingen? Hoe kan het dat een groep mensen tot zulk gedrag overgaat voor zaken, waarvan de vraag maar is of zij daar ooit echt problemen mee krijgen?

Meteen gaat ook de gedachte naar mijn eerste dag bij Humanitas. Er stond een grote schoonmaak op het programma bij een oudere vrouw, die veel zaken niet meer zelf kon. Zij had dan wel hulp van de gemeente, maar deze zou niet voldoende zijn. Zonder enige verwachting stap ik vol gode moed in de bus om deze mevrouw met ons team te helpen.

Wanneer we bij het woongebouw van mevrouw aankomen, herken ik de straat gelijk. Door deze straat ben ik talloze keren gefietst. Op weg naar studievrienden, een avondje stappen of naar de waterpolo met de vereniging. Het is een mooi, oud Rotterdams gebouw met een oud-stedelijke charme. Ik voel me meteen op mijn gemak en de behoefte om hier iemand te helpen groeit.

Terwijl wij de trap nemen naar het gebouw komt er ons langzaam een geur tegemoet. Een geur die niet te beschrijven valt. Een mengelmoes van urine, stof en zweet. Een sterk penetrerende zure lucht, die ik vanaf heden de lucht van verwaarlozing noem. Terwijl één van de collega’s, een stevige hardwerkende Surinaamse tante, aanbelt en mevrouw vertelt dat we van Humanitas zijn en komen voor de grote schoonmaak, stort langzamerhand mijn houding in elkaar. Mijn gevoel van “dat varkentje gaan we wel even wassen” verandert in een totale staat van ontsteltenis. Het huis van mevrouw ruikt niet alleen, maar is ook extreem vies. Mevrouw zelf zit in een stoel en is bijna geheel immobiel.

De Surinaamse tante ziet de schrik in mijn ogen en zegt me dat dit nog lange niet het ergste is wat ze gezien heeft, duwt me een emmer met een doekje in de handen en zegt me de woonkamer te gaan schoonmaken. Ze haalt me dan ook uit de trance van ontsteltenis, terug in een houding van goede moed.

Met z’n vieren zijn we wel twee uur flink aan het schrobben geweest, hebben alle deuren en ramen open gezet voor frisse lucht en hebben zelfs minutieus om mevrouw heen schoongemaakt. Tijdens onze werkzaamheden raakten we om de beurt in gesprek met deze immobiele dame op leeftijd. Een vriendelijke vrouw met kinderen, die haar niet bezoeken en een zorgsysteem die haar in deze situatie laat zitten. De triestheid druipt er vanaf.

Zo halverwege onze werkzaamheden komt de verpleegster langs om haar bandages te verwisselen. Deze arme meid probeert in de 30 minuten die ze heeft een gesprek te houden met haar Cliënt, een beetje schoon te maken samen met ons en tegelijkertijd de wonden van mevrouw te verzorgen. Eigenlijk hoort iemand anders schoon te maken, maar ook die komt niet toe aan alle taken, laat ze ons weten. Ik geloof dat ik op dat moment dacht dat het de understatement van het jaar was. Eindelijk waren we klaar met het schoonmaken van het huis. Mevrouw was ons zo oprecht dankbaar. ieders hart zou ervan gaan smelten. Buiten gekomen vertelde mijn collega dat dit vaak door hen werd gezien, maar dat dit zeker niet het ergste geval was dat ze had meegemaakt.

Op weg naar huis, die dag, weet ik niet goed wat ik moet denken. Moet ik verbaasd, verdrietig of ontdaan zijn? Bij mij ontstaat er woede. Woede dat mensen in zo’n situatie moeten leven. Gewoon in een straat waar ik jarenlang rustig aan voorbij fietste, met zin in een biertje en een gezellige avond. Zat mevrouw toen ook al in de stoel bij het raam en zag ze mij onbezorgd voorbij fietsen? Was ik toen zo naïef dat ik het niet door had dat achter die muren zulke verschrikkelijke situatie gaande waren en wij allemaal wegkeken?

Nu zit ik te kijken naar de boze mensen over dat AZC. Boos over mensen die het slecht hadden en het beter willen hebben. Zouden die mensen niet boos moeten worden op de situatie in de ouderenzorg? Daar waar mensen er zelf niet meer voor kunnen zorgen dat het beter wordt. Waar waren toen de massale protesten, de leuzen en misschien wel de bakstenen? Waar waren deze mensen toen ze moesten opkomen voor de kwetsbare oudere mensen?

Wat schaam ik me dan soms voor mijzelf en mijn medemensen dat wij zo met onszelf bezig zijn dat we deze oude dame, achter de mooie oude Rotterdamse muren, niet zien zitten.

Afbeelding / www.fusernet.nl

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel