Ajax-Feyenoord, op z'n Russisch...

6-2-2016 01:10

Door Stadslog Rotterdam

Een groot deel van het bijzondere oeuvre van de Russische schrijver Dmitri Danilov (1969) is in vertaling uitgebracht door de Rotterdamse uitgeverij Douane. Danilov schrijft in een extreem-realistische stijl over zijn leven in Moskou, en heeft onlangs een boek afgerond, 'Er zijn belangrijker dingen dan voetbal', over de liefde voor zijn favoriete voetbalclub, Dynamo Moskou. In het weekend van Ajax-Feyenoord vinden wij het passend een fragment uit dat boek te publiceren, al was het maar omdat de rivaliteit tussen Dmitri's Dynamo en het veel succesvollere Spartak Moskou sterke overeenkomsten vertoont met de eeuwige strijd tussen Feyenoord en Ajax. En misschien wel de plattegrond is voor elke vorm van sportieve rivaliteit. Lees en geniet!  

De spelers in het wit met lichtblauwe tenue zijn op het middenveld met de bal aan het klungelen, een pass naar de zijkant, bij de aanname van de bal struikelt de buitenste middenvelder over zijn eigen benen, maar toch houdt hij de bal, het langzaam oprukken naar voren, de pogingen tot een dribbel, een voorzet in het strafschopgebied (bij het uitvoeren van deze voorzet glijdt de middenvelder uit en valt), een klungelige scrimmage voor het doel, een kopbal richting de hemel, een trap om de bal op te ruimen. De stand is 0-1, niet in het voordeel van de ploeg in het wit met lichtblauw. De spelers in het rood-witte tenue brengen de verdediging van de tegenstander in verwarring met een oneindig aantal korte, nauwkeurige passjes van één keer raken, ‘een-tweetjes’, 'vrijlopen’, een messcherpe schuiver, de bal gaat niet hard, maar wel precies in de benedenhoek van het doel. Het staat 2-0 voor het team in het rood-witte tenue. Wat haten wij die lui. Wij, dat zijn de supporters van Dynamo. Die lui, dat is Spartak (en hun supporters, natuurlijk).

Ik werd als kleine jongen diep doordrongen van een gevoel van sympathie voor Dynamo Moskou, begin jaren tachtig. Mijn eerste gang naar het stadion betrof een wedstrijd van Dynamo tegen Nistra (een hopeloze degradatiekandidaat), Dynamo was de hele wedstrijd bezig te verliezen en sleepte de winst met verschrikkelijk veel pijn en moeite binnen (hoewel alle andere teams die Moldaviërs in de regel met groot gemak en grote cijfers oprolden). Er was iets bijzonders in de combinatie van het grote verleden van Dynamo, de schoonheid van het grote en legendarische stadion met de wit met lichtblauwe tribunes en het sneue, pijnlijke, afzichtelijke spel, de zieltogende toestand van de de grote club. Ik was dolblij toen Nikolaj Latysj de bal toch nog in het Moldavische doel wist te werken, waardoor Dynamo met 2-1 won. (Het ontstaan van deze merkwaardige sympathie staat nauwkeurig beschreven in mijn novelle Huis nummer tien.) Ik was geen ‘harde kern’, en sowieso heeft voetbal nooit de belangrijkste plaats onder mijn interesses ingenomen, maar ik volgde het proces wel op de voet – ik keek naar de televisie-uitzendingen, las de destijds karige sportpers en ging natuurlijk naar het stadion. Al heel snel was er die hoofdvijand en dat object van fervente haat. Spartak, natuurlijk.

De animositeit was historisch kun je wel zeggen, de clubs waren in de jaren dertig al water en vuur en de harde kern beleed haar vijandschap openlijk zo vanaf begin jaren zeventig (eigenlijk ontstond ze toen ook pas als klasse in de USSR). En die haat werd verklaard door het feit dat alles Spartak een beetje te gemakkelijk afging, walgelijk gemakkelijk. In dat opzicht waren onze clubs elkaar tegenpolen. Dynamo vocht voortdurend voor lijfsbehoud in de Premier League (en is tot op heden de enige Russische club die daar, anders dan datzelfde Spartak, nog nooit is uitgevlogen). De overwinningen waren spaarzaam en kwamen tot stand door verbeten strijd op de grens van de menselijke mogelijkheden of door blunders van de tegenstander. Elke overwinning werd gezien als een zeldzaam wonder, een anomalie. Gelijke spelen en nederlagen vormden onze trieste, alledaagse werkelijkheid. Dynamo speelde uiterst houterig, hoewel het altijd goede voetballers in zijn gelederen had – maar als ze bij Dynamo kwamen leken ze als op commando het voetballen te verleren. Drie passes die achter elkaar aankwamen waren een zeldzame luxe. Een fraaie goal een uiterst zeldzame weelde. Een overwinning met aanvallend voetbal een bovennatuurlijk verschijnsel. Kortom, Dynamo scoorde moeilijk, werkte moeizaam, en de vruchten van dat werk en die strijd waren karig.

Tegen deze trieste, grijze (wit met lichtblauwe) achtergrond was Spartak een door het rood-witte lot verwende bofkont. Zeker, in bepaald opzicht waren zij ook pechvogels, jarenlang wisten ze geen kampioen te worden, waren ze ‘eeuwige tweede’, nu eens achter Kiev dan weer achter nieuwkomers als Dynamo Minsk, Dnepr en Zenit. Maar vergeleken bij ons onafgebroken falen, met zijn vermoeiend strijd om lijfsbehoud, was er voor Spartak geen vuiltje aan de lucht. Het gaat ook niet alleen, en niet eens zozeer, om de behaalde eindklasseringen (uiteindelijk werd Dyamo in 1986 opeens pardoes tweede, was de ploeg maar één doelpuntje verwijderd van de zegepraal; in 1987 keerden ze heelhuids terug naar de tiende stek, gelijk een hond naar zijn braaksel). Waar het om gaat is dat Spartak heel gemakkelijk speelde en won, ergerlijk makkelijk, walgelijk makkelijk. Spartak hoefde meestal niet te vechten of te werken in een wedstrijd. Zij ‘speelden’ echt een spel, in de zuiverste vorm, die lui speelden en beleefden daar genoegen aan. Doorlopend in de aanval, een wervelwind van korte, snelle passjes, lange combinaties, waar de tegenstander hoorndol en gek van werd en de concentratie verloor. Het was een verfijnd soort ‘fladderen’ (het voetbal van Spartak werd denigrerend wel ‘ballet’ genoemd), fraai, prettig om te zien, maar dat bovennatuurlijke gemak wekte niet mijn bewondering, maar juist mijn ergernis en jaloezie.

Waarom wij ons uit de naad werken en zij maar fladderen? Waarom moeten wij ons met de tanden aan de 14de of 16de plaats vastklampen, terwijl zij spelenderwijs op het ereschavot springen, ook al is het dan niet op het hoogste treetje? Hoe komt het dat de belangrijkste club van de KGB die elke speler kan inlijven die het wil, waar elk jaar nieuwe, goede spelers van naam komen, een zieltogend bestaan leidt? Terwijl oud-Dynamotrainer Beskov bij Spartak komt, een paar volslagen onbekende jonge jongens en oudgedienden uit Krasnodar en Kostroma haalt en twee jaar later kampioen wordt. Hoe komt dat? Hoe zit dat?

Eerlijk gezegd snap ik er nog steeds niets van.

Wat extreem heftige aanvallen van jaloezie opriep, dat waren de overwinningen van Spartak op middenmoters en degradatiekandidaten. Als Dynamo thuis, laat staan uit, tegen iets van Neftitsj moest, dan kon je van alles verwachten, behalve een gemakkelijke, overtuigende overwinning. En er was altijd een dikke kans op een fiasco. En als er eens een overtuigende overwinning werd geboekt (een paar keer per seizoen), dan werd het gezien als een wonder dat uit de wit met lichtblauwe hemel was neergedaald. Als Spartak tegen Metallist of Kajrat moest, dan kon je bij voorbaat hun twee punten in de stand bijschrijven (zij maakten een paar keer per jaar ook een misstap, maar dat deed niets af aan de teneur). Hun favoriete uitslag was 2-0. Daarin eindigden de wedstrijden van Spartak tegen clubs uit het rechterrijtje meestal. Een lichtvoetig fladderen over het veld, Spartak de hele tijd aan de bal, eindeloze ragfijne combinaties, een-tweetjes, vrijlopen. De wedstrijd is gedaan, er is geen twijfel aan de overwinning, alles is voor de bakker, je kunt met de roodwitte vlaggen zwaaien en complimenten schreeuwen. Ze zouden er ook 5-0 van kunnen maken, of meer, maar waarom zou je je inspanningen, je hoeft je niet in te spannen, je kunt op halve kracht spelen, een kalme overwinning boeken op grond van je klasse. Het was die herhaalde 2-0, moet ik zeggen, die je des duivels maakte. Die lui kregen alles op een presenteerblaadje, terwijl wij op apegapen lagen, zonder dat het enige zin had. Trouwens, Dynamo ging er voortdurend letterlijk bij liggen – in wedstrijden tegen sterke tegenstanders was de tackle de voornaamste technisch—tactische handeling in het arsenaal van het team, je kreeg wel eens de indruk dat het team liggend speelde. Verdedigen, verdedigen, verdedigen, onzichtbare loopgraven en andere stellingen op het groene veld, aanvallen afslaan, aanvallen afslaan, dodelijk vermoeiend aanvallen afslaan. Terwijl Spartak helemaal geen verdediging leek te hebben. De onschendbaarheid van hun doel werd niet bereikt door defensieve middelen, maar door het voortdurende balbezit en het druk uitoefenen op het doel van de tegenstander. Aanval is de beste verdediging, zoals bekend, en dat gold al helemaal voor het Spartak van de jaren tachtig.

Voor de goede orde moet gezegd dat Dnjepr, Minsk en vooral Kiev Spartak deze gemakzucht dikwijls afstraften, dit ragfijne combinatiespel en het verzuim een betonnen defensie op te trekken, maar dat is weer een ander verhaal. Dat was niet onze jaloezie, maar die van hen, de Spartakfans. Ja, ze waren stinkend jaloers op het zegevierende, keer op keer kampioen wordende Dynamo Kiev. Logisch geredeneerd zou Spartak eigenlijk niet het grootste object van jaloezie moeten zijn, maar juist Dynamo Kiev, want dat was onvergelijkelijk veel succesvoller dan Spartak, zowel in de binnenlandse competitie, als op het Europese toneel. Maar jegens Kiev bestond er geen jaloezie. Omdat ze niet fladderden, maar net als wij hard werkten en strijd leverden, zij het dan wel honderd keer beter. Hun spel had niet die specifieke lichtvoetigheid van Spartak, het deed eerder aan een soort stoomwals denken, maar dan een watervlugge. De mannen van Kiev walsten over hun tegenstanders heen, maakten die letterlijk met de grond gelijk, en dat platwalsen had een soort militaire, slagveldachtige grootheid, en daarbij was geen sprake van jaloezie, maar van een bedaarde erkenning van deze grootheid. Spartak had geen enkele grootheid. Ze hadden alleen die lichtvoetigheid en het gevoel dat ze alles cadeau kregen, op een wit schoteltje met een rood randje. En wij maar slobberen uit ons afgebladderde vies grijsblauwe schaaltje, dat lang geleden eens wit met lichtblauw was geweest. Zij hadden hun grote opgewekte, vrolijke en lichtvoetige 2-0. En wij hadden onze 0-0, 0-1, 0-0, 0-2, 1-1, 1-2, 0-0, 0-3, 0-5, en heel zelden, bij wijze van verrassing, iets van een zielige 1-0, een doelpunt in de 89ste minuut uit een penalty, terwijl de tegenstander anderhalve helft lang met negen man had gespeeld. Zij het bont en de barken, wij stront en het varken.

Wat ik hier beschrijf, zijn de emoties uit mijn jeugd en jonge jaren, in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Er is sindsdien veel veranderd. Bij toenemende volwassenheid nam de betekenis van het voetbal, dat toch al niet op de eerste plaats kwam, aanzienlijk af. Hoewel ik het proces nog steeds, als vanouds, volg, is dat nu vooral via de televisie en via een inmiddels buitengewoon overvloedige sportpers. Spartak heeft de overwinningsjaren negentig meegemaakt, toen het in de zwakke Russische competitie vrijwel geen concurrentie had. Het was nog walgelijker om te zien dan in de Sovjettijden, die fluitende overwinningen met 2-0 op Metallisten en Pachtakors. Dynamo vervolgde zijn zieltogende bestaan, al hoefde niet langer voor lijfsbehoud te worden gestreden, omdat het team merendeels in de middenmoot van de eindrangschikking stond, en maar heel zelden, tot hun eigen schrik, op een prijswinnende plek. Toen kwamen de jaren nul, Spartak werd aanzienlijk minder, het kreeg sterke tegenstanders, de rood-witten hebben al meer dan tien jaar geen kampioenschap meer behaald. Een stoelendans van vage trainers en spelers, het verlies van het befaamde ‘Spartakspelletje’, het lichtvoetige, ragfijne spel met een-tweetjes en gaten trekken. Zodat de jaloezie, zou je denken, wel plaats zou maken voor leedvermaak.

Maar nee, er is nog steeds dat spoor van de oude, sterke afgunst over.

Omdat Spartak nog steeds, zelfs tegenwoordig, nu ze niet in allerbeste doen zijn, regelmatig hun befaamde lichtvoetige overwinningen ten beste geven, onder meer ook met 2-0. Ondanks alle moeilijkheden pakt het zo’n Wolga of Krasnodar simpelweg in. Lichtvoetig en zonder inspanning. De eerste goal zo in de twintigste minuut, de tweede in het begin van of halverwege de tweede helft. En geen enkele twijfel aan de overwinning. En bij Dynamo wil het nog steeds maar niet lukken. Of liever, dat komt wel voor, maar heel, heel sporadisch. Al staan de zaken er nu niet zo hopeloos voor als in de jaren tachtig, het team speelt soms briljant, kan zelfs het genoemde Spartak oprollen, maar dat zijn toch het soort tamelijk zeldzame uitzonderingen (in de uitzichtloze jaren tachtig kwam ook wel eens een opklaring voor). Tja, en wat de resultaten betreft, staat Spartak er voorlopig stukken beter voor. Zodat de jaloezie tot op zekere hoogte intact blijft. Ze is alleen op natuurlijk manier iets afgezwakt, van de voorgrond verdwenen, ze heeft haar pijnlijke acuutheid verloren. Maar soms steekt ze nog de kop op, bij het kennisnemen van de uitslagen van weer een nieuwe speelronde: winnen die <…> weer, terwijl die <…> van ons, natuurlijk, weer eens jammerlijk hebben gefaald, allemachtig, waardeloos. Vroeg of laat wordt Dynamo natuurlijk een keer kampioen. En ik weet precies hoe dat dan gaat.

De beslissing valt op de laatste dag. Dynamo speelt thuis tegen een middenmoter of een degradatiekandidaat, laten we zeggen tegen Krylja Sovetov (Samara). Een gelijkspel is genoeg voor het kampioenschap. Dynamo dringt aan, Krylja bijt van zich af. Halverwege de eerste helft krijgt Dynamo een penalty – die wordt gemist. Aan het eind van de eerste helft scoort Krylja uit een van de spaarzame tegenstoten. Aan het begin van de tweede helft wordt iemand van Dynamo van het veld gestuurd. Dynamo blijft aandringen, hoge ballen voor de pot gooien. Krylja komt een keer of twee, drie alleen voor de keeper, maar verzuimt als door een wonder te scoren. Zo in de 80ste minuut wordt iemand van Krylja heengezonden. In de 7de minuut van de blessuretijd schiet een aanvaller van Krylja op de paal. In de 8ste minuut van de blessuretijd krijgt Krylja een penalty, de schutter mikt de bal op de lat. De wedstrijd eindigt met 1-1, Dynamo wordt kampioen, en Krylja vliegt uit de Premier League.

De tribunes juichen, maar niet overdreven (Dynamo heeft toch niet zo veel supporters als sommige andere Moskouse clubs), en een van de oudere supporters, met een proletarisch Sovjetvoorkomen, zal beslist tot tranen zijn geroerd – omdat het heel lang geleden is, hij decennialang op deze gebeurtenis heeft moeten wachten. Op hetzelfde moment vecht Spartak om de vijfde plaats (om zich voor de European League te plaatsen). Om hun doel te halen moeten ze iets van Wolga (Nizjni-Novgorod) verslaan, uit, met minstens twee doelpunten verschil. En Spartak verslaat Wolga met 2-0. Lichtvoetig en bedaard, zonder overdreven krachtsinspanning. Het eerste doelpunt zo rond de twintigste minuut, het tweede aan het begin van of halverwege de tweede helft.

(Vertaling: Arie van der Ent)

Wil je het boek 'Er zijn belangrijker dingen dan voetbal' in zijn geheel lezen? Houd dan de site van Uitgeverij Douane in de gaten. De Nederlandse vertaling verwacht in het voorjaar van 2018.

Afbeelding / www.footballkitnews.com

Rubriek Douane geeft uit

Stadslog Rotterdam

Bekijk profiel