De begrafenis van Frans Vogel en het eerbetoon aan Lemmy

29-2-2016 11:32

Door Daniël Dee

Afgelopen donderdag werd dichter Frans Vogel (1935-2016) naar zijn laatste rustplaats op de algemene begraafplaats Crooswijk gebracht. De belangstelling was enorm. Een man of twintig, waaronder ik, geraakte zelfs niet verder dan de deuropening van de aula. Het was afgeladen.

Op de kist van Vogel stond de tekst te lezen: U allen de ballen.

De dichter Mark Boninsegna mocht als laatste groet zijn Havengedicht voorlezen terwijl de kist van Vogel definitief neerdaalde. Hij werd overigens aangekondigd als Mark Bozinga, waar hij zelf dan maar Bonenstaak van maakte.

Voorafgaand aan de ter aarde bestelling van Vogel was ik wat nerveus – begrafenissen zullen nooit een hobby van me worden – maar dat bleek niet nodig geweest te zijn. Ik heb nog nooit zo'n losse en ontspannen begrafenis meegemaakt.

Ondanks de gigantische opkomst verbaasde het me toch dat er enkele boekhandelaren afwezig waren. Waarom let ik toch altijd op negatieve aspecten? Ik zag evenmin iemand van Poetry International rondlopen. De huidige stadsdichter was in geen velden of wegen te bekennen. En buiten Boninsegna was er evenmin een dichter van de jonge generatie aanwezig, terwijl ik wel menig jonge dichter op Facebook krokodillentranen heb zien huilen. Ik hoop dat het met allen goed gaat, want wat zou anders hun excuus geweest zijn? Ik hoop ook dat karma even goed opgelet heeft. Het kan toch niet echt waar zijn dat wanneer een Nederlandse dichter sterft hij daadwerkelijk direct vergeten is. Ach, voor Frans Vogel zal het een rotzorg zijn, waarschijnlijk was het dat al bij leven voor hem.

Het overlijden van Frans Vogel vernam ik trouwens in het Plaswijckpark. Ik betrad net met mijn dochter het mini-golfterrein, toen ik journalist Anton Slotboom tegen het lijf liep. Hij was de brenger van de onheilstijding. Mijn dochter won die dag zonder al te veel moeite met midgetgolf.

Voor het verscheiden van Frans Vogel verruilde twee maanden eerder al een andere held het tijdelijke voor het eeuwige. Ik heb het natuurlijk over Lemmy Kilmister (1945-2015), de frontman van Motörhead. Afgelopen zondag was er nog eenmaal een eerbetoon aan deze onnavolgbare rocker in Worm, het Instituut voor Avantgardistische Recreatie. Voor die gelegenheid schreef ik onderstaand mini-essay.

 

Stofzuigermuziek

Toen schrijver Robbert Meijntjes mij via Facebook peilde of ik het zag zitten om mee te doen aan deze middag, aan dit eerbetoon aan Lemmy reageerde ik hysterisch of toch op z'n minst pathetisch. En niet alleen omdat hij net overleden was.

Ik heb mijn reactie in de PM even opgezocht:

'Poeh, ik doe graag mee, maar ik wil niet bij die club horen die ineens superfan is en hem op een sokkel zet en ineens zijn beste vriend was of hem heilig verklaart. Fuck al die lui. Niemand heeft het in de afgelopen dagen over zijn muziek gehad. Het ging alleen maar over zijn levensstijl. Over zijn manier van basspelen of - nog belangrijker - over zijn nummers, nergens heb ik daar iets over gelezen - of amper. Dus, nogmaals, ik doe graag mee, maar afhankelijk van de inhoud. (Toegegeven: het was een slimme man met een verdomd goed gevoel voor humor, maar het draait uiteindelijk om zijn muziek.)'

Einde citaat. En voor de duidelijkheid: ik was nog nuchter.

Mijn afkeer voor de verering van Lemmy's levensstijl kwam enerzijds ook voort uit het feit dat ik voor zijn dood eigenlijk niemand meer kende die nog oprecht fan of liefhebber was van Motörhead, met uitzondering van Robbert Meijntjes, Denvis en Jerry Hormone (op die laatste kom ik zo nog even terug). Op z'n best kregen mensen er een warm gevoel bij uit jeugdsentiment. Maar na zijn dood was ineens iedereen weer zijn grootste fan. Anderzijds, moet ik bekennen, wilde ik het ook niet over de persoon Lemmy hebben uit pure jaloezie. Hij had er bewust voor gekozen om alle bullshit uit zijn leven te weren en precies te doen waar hij zin in had: het rock-'n-roll-bestaan, terwijl ik in een Hank Moody-spagaat verkeer. Ik heb een gezin waar ik bij wil zijn, maar ik wil ook de beest uithangen in de nacht. Die twee gaan niet samen. Je moet kiezen of er wordt uiteindelijk voor je gekozen. Heb medelijden met mijn geliefden, want die trekken waarschijnlijk aan het kortste eind.

Robbert stemde erin toe dat ik het over zijn muziek kon hebben. Nu stond ik echter voor een probleem, ik weet namelijk niets van muziektheorie. Ik kan nog niet eens een A-akkoord van een G onderscheiden. Ik ben niet onderlegd en ik ben geen muzikant. Ben ik dan de aangewezen persoon om iets te zeggen over het markante basgeluid van de band? De jaloersmakende doorrookte stem van Lemmy? Of sowieso het typisch hoekige geluid van Motörhead? Alle nummers staan als een huis en lopen als een klok. Het is bekend dat Lemmy een bewonderaar was van Abba, of in ieder geval bewondering had voor het schrijven van zulke pakkende liedjes. Op zijn manier heeft hij dat ook gedaan voor Motörhead, daar ben ik van overtuigd, al is het een volledig ander genre. En is het waar dat Sam Gopal en Hawkwind zulke leuke muziek maken omdat Lemmy erin gespeeld heeft? Ik kan het niet beargumenteren, ik ontdekte pas later dat Lemmy erin speelde, al luisterde ik daarvoor al graag naar die platen.

Ik moet het hier dus over een andere boeg gooien. Door onkunde kan ik het simpelweg niet over de muziek hebben. Ik kan het wel hebben over de impact van Motörhead op mijn leven.

Ik groeide op in een gebied dat de Hoeksche Waard heet. Jerry Hormone komt daar ook vandaan, dus allicht herkent hij zichzelf hierin, al is hij een generatie jonger. Ik meen in ieder geval te begrijpen waarom hij van Motörhead houdt. De Hoekse Waard is een stukje biblebelt dat bewoond wordt door achterbakse gereformeerden, gestoorde boeren en domme import uit Rotterdam die op zoek is naar rust. Mijn generatie verveelde zich daar te pletter. Er viel niets te beleven. We moesten dus zelf iets verzinnen. Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat er een groot aantal van mijn toenmalige vrienden of aan de drugs is geraakt of iets met kunst is gaan doen of een combinatie van beide heeft geïncorporeerd.

Thuis luisterden wij naar de Beatles, Elvis Presley en Boudewijn de Groot. Alle drie fantastisch, maar het was muziek van voor mijn tijd. En toen kwamen daar ineens in de jaren tachtig bands als Iron Maiden, Metallica, Black Sabbath, Slayer en natuurlijk Motörhead. Het waren allemaal gasten die in mijn ogen stuk voor stuk hun middelvinger opstaken naar hoe het hoorde en mij een perspectief boden dat er meer was in het leven, meer spanning, meer opwinding, meer vitaliteit. Radicaal en compromisloos. Weg van het benepen bestaan met zijn sociale controle in die kutgemeente. Deze muziek was van mij en van al die bands bleek Motörhead uiteindelijk nog het meest te passen. Waar de andere bands door geld, drugs, ego's of simpelweg absurde artistieke keuzes hun scherpe randjes verloren, bleef Motörhead als de oog van een orkaan fier overeind staan. Zij lieten zich niet meeslepen door nieuwe trends of buitenissige decadentie. Zij waren wie zij waren. Mede dat bepaalde volgens mij ook hun populariteit.

Door de jaren heen ben ik er achter gekomen dat het luisteren naar Motörhead een aantal nuttige functies heeft, buiten het vieren van het leven. De twee belangrijkste wil ik jullie niet onthouden.

1. Motörhead is de beste neukmuziek. Natuurlijk kun je tijdens het neuken luisteren naar Glory of love van Peter Cetera en neuken is neuken en als je een kans daartoe krijgt moet je die grijpen, maar ballads of andere kweelmuziek maakt het neuken toch minder intens. Het is dan eigenlijk geen neuken meer, maar sentimenteel vrijen of nog erger weeïge intimiteit. Neuken is nu eenmaal fijner als het er een beetje ruig aan toe gaat, je wilt de ander tenslotte begeren.

En 2. Motörhead is de beste stofzuigermuziek. En dat bedoel ik zowel letterlijk als figuurlijk.

Letterlijk: als ik thuis aan het stofzuigen ben gaat het namelijk een stuk beter als Motörhead loeihard aanstaat. Ja, ik stofzuig. Ik geloof dat mijn geliefden toch aan de winnende hand zijn. Heb daarom medelijden met mijn nachtleven, want dat trekt waarschijnlijk aan het kortste eind.

En in figuurlijke zin: want als ik de vieze, vuile teringzooi van het leven om wat voor reden dan ook weer eens niet aankan en ik een uitlaatklep nodig heb, dan gaan ze ook aan. Als een stofzuiger slurpen ze al het gepieker en getob met een dikke vette fuck you in mijn hoofd op. Dan kan ik er daarna vaak weer even tegen aan.

Tot slot zou ik kunnen zeggen dat Lemmy de grootste punker was, de beste metal maakte, de beste rock, de beste rock-'n-roll, maar dat is niet waar. Ik ken betere punkers, betere metalbands, betere rockmuziek, betere rock-'n-roll, maar ik ken niemand die het zo combineerde. Lemmy was een buitencategorie, Lemmy was Motörhead.

En nu heb ik het nog niet eens gehad over de beste albums van Motörhead.

Ach wat, ik ga gewoon luisteren naar de herkenningsmelodie van de Dikke en de Dunne.

Rubriek D-day

Daniël Dee

Daniël Dee is een Rotterdamse dichter en schrijver. Hij publiceerde diverse dichtbundels, trad onder andere op bij Lowlands en Poetry International en maakte onlangs zijn proz...

Bekijk profiel