Zwaaien

18-6-2014 12:09

Door Rob van Olm

Het is lente op de Binnenweg.  Prachtig hoe die gevels hersteld zijn en het asfalt is vervangen door bestrating. Hier zie je dat er met succes strijd wordt gevoerd tegen verloedering. Hoe heeft het toch ooit kunnen gebeuren dat iedereen zomaar de prachtige gevels bedekte onder de meest verschrikkelijke constructies en dat niemand op het stadhuis ingreep?

          Maar het is geen dag om te klagen. Hoewel. De glazenwasser die ook in mijn buurt de ramen schoonhoudt, stapt mopperend uit zijn vehikel, waarmee hij tegenwoordig langs de gevels rijdt. Welke idioot in Brussel heeft ooit verzonnen dat glazenwassers niet meer op ladders mochten staan omdat dat gevaarlijk is? Heeft u er ooit wel eens een van zijn ladder zien kieperen? En dan nog.

         Hij vertelt me dat iemand stiekem geld heeft geïncasseerd, nadat hij de ramen had gezeemd. Dat is inderdaad wel een reden om boos te zijn. Vanwege mijn aangeboren solidariteit hoor ik mezelf zeggen dat ik een oogje in het zeil zal houden,  al weet ik niet goed raad met deze zelfgegeven opdracht. 

         Ter hoogte van de 's -Gravendijkwal staat een groepje allochtone jongens luidruchtig te praten. Een echtpaar buigt behoedzaam om hen heen. Ik volg dat spoor, maar dan zie ik in het midden een blond meisje vrolijk het woord voeren. De jongens lachen om háár. Dit blijft me nog even bij tot ik verderop een man zie die een zelfgemaakte kar voortduwt, waar wel zes peutertjes in zitten.

         ‘Waar gaan jullie naar toe?’ vraag ik. Ze geven allemaal tegelijk antwoord.

         ‘Naar de crèche, naar de crèche, naar de crèche.’ 

         'Mijn vader komt me vanmiddag ophalen,' roept een meisje naar me.

         'Wat leuk, zeg,' antwoord ik.

         'Hij woont ergens anders.'

         Nog twee anderen roepen: 'Mijn vader woont ook ergens anders.' 

         Ik reken snel uit dat vijftig procent van de vaders van deze kinderen elders woont. Dat lijkt me veel, wellicht heeft dat met de crèche te maken, waar ze in hun karretje naartoe gevoerd worden.

         Ze zwaaien nog lang naar me, alsof ik de verloren opa ben. 

         Mijn oog valt op een andere groep. Joggingbroeken, vlassige baarden, sandalen. Wat voor verhalen komen hier samen? Maar dan gebeurt er iets wat moeilijk te begrijpen valt. Een jongen, smal postuur, komt naderbij op een skateboard. Ik wacht op een trappende voet, maar hij rijdt maar door.  Is dit Jezus of de duivel? Hij passeert me met verwarde, boze ogen. En dan valt hij ineens. Over een tak? Over een steentje? Ik zal het nooit weten, want het lijkt me beter me om te draaien en te doen alsof ik hem nooit heb gezien; zijn skateboard niet, zijn baard niet en zeker zijn ogen niet. 

          Ik neem plaats op het terras van Westerpaviljoen. Even later zie ik de allochtone jongens langslopen. Het meisje is er niet meer bij. Hun hoofden diep in de capuchons, schouders opgetrokken. Ze verkeren in hun eigen wereld, ver van de terraszitters vandaan. Onverwacht draaien ze zich om, alsof iemand iets geroepen heeft. Waarom weet ik niet, mijn hand gaat om hoog, bij wijze van groet.

          Ze zwaaien terug.

 

 

Rubriek Toerist in eigen stad

Rob van Olm

De Rotterdamse schrijver en onderzoeksjournalist Rob van Olm (1947) publiceerde romans en journalistieke boeken, zoals 'Verloren dagen', een roman over de Spaanse burgeroorlog, en ...

Bekijk profiel