Belletjes van geluk

14-5-2014 17:30

Door Rob van Olm

  Niet om op te scheppen, maar ik ben de laatste vijf jaar vaker op Washington Square in New York geweest dan in de Pupillenstraat in Rotterdam, terwijl ik daar vijf minuten vandaan woon. Dat heeft iets ongerijmds, al kan ik niet duiden waarom.

        Het is stil in de straat. Zo stil dat ik de neiging voel hard te gaan roepen waar iedereen is gebleven. Gelukkig beheers ik me. Wie er in ieder geval niet meer is, is mijn opa, Janus. Hij had er een schoenmakerswinkeltje, waarachter hij met zijn vrouw en een legioen kinderen woonde, waaronder mijn vader. Jammer, het winkeltje op nummer 99 is verbouwd tot een woonhuis. Straten veranderen en blijven toch hetzelfde, maar de verhalen vervagen steeds meer. Wie weet nog dat Janus een opzienbarend figuur was in de buurt? Hij liet er altijd zijn geit uit. Samen kwamen ze dronken thuis. Janus hield ook konijnen, die hield hij voor de slacht. Het is vaak gebeurd dat de koper van het wild niets vermoedend zijn mes in een kat zette, die Janus ving en als geslacht konijn verkocht. De slachtoffers zijn inmiddels allemaal overleden, dus ik kan dat verhaal hier nu wel kwijt.

     Door de naam, Tapperij 't Kraantje, boven een café op de hoek van de Aelbrechtskolk, krijg ik plotseling erge dorst.

     'Gisteren doorgezakt man.'

     'Oh ja? Waar?'

     'In Tapperij 't Kraantje.'

     'Ja, logisch toch.'

     Voordat ik het kraantje van de tap bereik, zie ik een man moedeloos alleen aan tafel zitten. Gauw stap ik naar buiten; ik ben nogal gevoelig voor sferen. Nu zie ik op de hoek van de Aelbrechtskolk een viertal mannen zitten. Een Indiër is in gesprek met een blanke man, die zichzelf verblijdt door permanent een biertje in zijn hand te houden. Een Marokkaan en en een Afrikaan dragen de rode hesjes waarin straatvegers van het project 'Jobscore' in gekleed worden.

      Hun lunch is uitgestald op de bank, een stokbrood en een blikje sardines. 'Eet smakelijk,' zeg ik. 'Dank je,' antwoorden ze beleefd. De Indiase man, met een indrukwekkende baard, leest de krant en streept artikelen met een rode stift aan.

     'Waarom doet u dat?' vraag ik.

     'Om nog eens over na te denken,' antwoordt hij.

     Een dikke haal staat door een artikel over de oud-burgemeester van Groningen, Peter Rehwinkel, die zijn baan opzegde voor een niet-bestaande functie in Spanje. Nou, die heeft ook wel iets om over na te denken, lijkt mij. De Nederlandse man klaagt over zijn carrière die op een onheuse manier beëindigd is, hoewel ik vermoed dat de alcoholische inhoud van het blikje in zijn hand daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Het bedrog dat diverse instanties volgens hem hebben gepleegd om zijn leven te verzuren, zal hij niet pikken, luidt zijn strijdlustige boodschap:

     'Ik wil me wel laten naaien, maar dan wil ik er bij zoenen.'

     De Marokkaanse man, die gehurkt zit op de door duivenstront gewitte straat, vertelt dat hij in Spangen is geboren en dus meer Nederlander is dan Marokkaan. Maar eigenlijk geen van beide. Ik vraag hem hoe het komt dat hij zo'n sterk accent heeft als hij in Nederland is geboren.

     'De taal is veranderd, mijnheer. In de kringen waar ik verkeer, praat iedereen zo. Rotterdams bestaat niet meer.'

     Hij legt me uit hoe de stad tegenwoordig in elkaar steekt. Vanaf zijn elfde verslaafd, maar alleen een bekeuring gekregen omdat hij door het rode licht liep.

     Ik wandel hier toch met schimmen en herinneringen om me heen en denk dat deze buurt zo'n beetje van mij is, maar door hem besef ik dat een stad niet alleen uit straten en wijken bestaat, maar vooral uit tijdslagen. Bij het afscheid steekt hij vriendelijk zijn hand naar me uit, maar veegt hem eerst netjes af aan zijn (vuile) uniform.

     Als je over tijdslagen spreekt, zit je hier wel goed. Ik wandel bijvoorbeeld langs het geboortehuis van Piet Heyn (1577). En kijk nou eens: een meer dan levensgrote foto van schilder Cees van Dongen (1877), terwijl hij in Delfshaven aan het schilderen is. Cees ('oom Cees', zou ik bijna zeggen) had een relatie met de zus van mijn opa Janus (1876). Het was in zijn arme tijd en regelmatig bood hij voor een schappelijke prijs een schilderij te koop aan bij Janus, omdat hij nauwelijks te eten had. 'Ga maar werken,' zei mijn opa dan, die meer kennis had van versleten zolen dan van kunst. Zelfs ík heb het huisje in de Pupillenstraat nog doorzocht of mijn opa toch niet een zwak moment had gekend.

     Ik kijk bij vele kleine winkeltjes naar binnen, geen mens te bekennen, de deuren zijn bijna allemaal gesloten. Het valt niet mee om hier nering te doen, vrees ik. Nieuwsgierig kijk ik bij de huisjes naar binnen, maar ook hier is weinig leven waar te nemen.

     Een meisje van pakweg vier jaar staat met een bellenblaas in haar handen. Ik moedig haar aan: 'Laat eens zien wat je kan.'

     Met trots blaast ze, 'Pffft...', vier toverballen de lucht in.

     Bellenblazen, dat blijft toch een raaadsel, niet alleen voor kleine kinderen. Een raadsel vormen ook de namen van bedrijfjes die ik op de ramen van pandjes aan de Voorhaven lees: 'JaMa', 'Action Services', bijvoorbeeld. Of wat te denken van 'Groeipartner', geleid door Laetitia en Jack. Als ik aan het eind van de haven ben, word ik door een paar zeepbellen achterhaald. Ik draai me om, het meisje staat nog op haar plek. Die belletjes van geluk hebben een onvoorstelbaar lange weg afgelegd.

     Over dat laatste denk ik nog het langste na. 

Rubriek Toerist in eigen stad

Rob van Olm

De Rotterdamse schrijver en onderzoeksjournalist Rob van Olm (1947) publiceerde romans en journalistieke boeken, zoals 'Verloren dagen', een roman over de Spaanse burgeroorlog, en ...

Bekijk profiel