Giovani Ipcedencia, participatiemakelaar

18-9-2014 10:27

Door Hans van Willigenburg

Altijd en overal een stapje extra voor je naasten, hoe lukt je dat?

 

Onder de titel ‘Stadsiconen’ portretteert Stadslog Rotterdam in maximaal duizend woorden bijzondere Rotterdammers, die niet zo snel de krant halen, nieuws maken, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan hoe de stad van-dag-tot-dag functioneert. En hopelijk, met een extra steuntje van Stadslog, andere Rotterdammers inspireren ook een bijdrage te leveren. In de zesde aflevering Giovani Ipcedencia, eerder Antillianencoach, nu participatiemakelaar. 

 

Giovani Ipcedencia (39) begint graag bij wat in veel interviews helemaal aan het einde ter sprake komt, namelijk: waarom precies doet hij wat hij doet? Wat is zijn diepste beweegreden om steeds weer ‘mensen bij elkaar te brengen en te helpen’? Hoe komt het dat hij veel beter betaalde banen in de ICT uiteindelijk heeft laten liggen, principieel koos voor het welzijnswerk en bij het woord ‘verdienen’ niet aan een abstract bedrag met nullen denkt, maar met een wijsvinger naar zijn hart wijst? Het meest eenvoudige antwoord luidt:

 

‘Mijn oudste zus…’

 

Zijn oudste zus?

 

‘Ja, mijn oudste zus. Toen ik klein was keek ik met bewondering naar wat mijn oudste zus allemaal deed. Niet alleen zag ik hoe ze mijn nichtjes en neefjes en andere kinderen hielp met huiswerk maken. En hoe ze op school de leiding nam als er, bijvoorbeeld, een toneelstuk moest worden ingestudeerd. Ik zag vooral wat er met kinderen gebeurde als ze in een groep serieus werden genomen en tot bloei konden komen. Hetzelfde geldt voor de ouders van die kinderen. Die blijdschap, die voldoening, zodra ze hun kind zagen groeien in een groep. Dat alles maakte enorme indruk op me.’

 

Giovani aapte zijn oudste zus, in de meest positieve zin van het woord, na en trad razendsnel in haar voetsporen. Hij was nog heel jong,  zestien jaar, toen hij op Curacao een prijs kreeg als meest veelbelovende ‘Beginnend Groepsleider’. Giovani kan nog steeds vertederend glimlachen om de eerste keer dat hij – wegens het wegblijven van een aantal mede groepsleiders – plotseling in zijn eentje voor een groep kleine kinderen stond, die rekenden op een leuke vakantiedag. 

 

‘Er was helemaal geen programma. Ik moest alles improviseren. Maar het liep goed. Iedereen was enthousiast.’  

 

Achter een bureau? Of steeds op straat?

Aanjagen. Inspireren. Troosten. Steun zijn. Voor Giovani is het inmiddels allang geen vraag meer hóe je dat moet aanpakken, anders dan door zelf zoveel mogelijk aanwezig en zichtbaar te zijn voor degenen die je wilt helpen. Eenmaal in Nederland was zijn leven, niettemin, in één klap een stuk minder duidelijk en vanzelfsprekend. Giovani kreeg niet alleen te maken met ernstige vormen van discriminatie (waardoor hij veel harder moest knokken voor een vaste baan en lange tijd bijkluste als postbode), maar ook met de hem onbekende logica van een West-Europese bureaucratie, waar een bureau hebben en papier produceren soms belangrijker is dan de straat opgaan. 

 

‘Toen ik op Zuid zat zou ik een jongerenwerker gaan assisteren, die al anderhalf jaar werkzaam heette te zijn  in een buurtcentrum aan de rand van een parkje waar ik toen tegenover woonde. Maar ik had hem en het hele buurtcentrum al die tijd nog nooit gezien!’ 

 

En hij heeft nog wel een paar aardige voorbeelden van Nederlands absurdisme, waaronder deze.

 

‘Op een gegeven moment was ik assistent-opbouwwerker voor een opbouwwerker die zelf was wegbezuinigd.’

 

Afgezien van het soms ondoorzichtige geschuif met geld en functies, heeft hij in Nederland nooit getwijfeld aan de hoeveelheid te verrichten welzijnswerk en de noodzaak van dat werk.

 

‘Zelfs met een HBO-diploma op zak heb ik de grootste moeite gehad om een vaste baan te bemachtigen. Toen dacht ik: als ik het, mét papieren, al zo lastig heb op de arbeidsmarkt, hoe moet dat dan wel niet zijn voor Antillianen met minder of zelfs helemaal geen diploma’s?’

 

Nooit meer naar 'de bak'

Omdat het organiseren en samenbinden hem, zogezegd, in het bloed zit, is het betaalde en onbetaalde werk bij hem altijd in elkaar overgelopen. Eén verhaal wil hij Stadslog zeker niet onthouden; het speelt zich af op de volleybalclub die hij geheel vrijwillig, samen met een vriend, speciaal voor Antillianen heeft opgericht.

 

‘Er zat een jongen in ons team, die na de winterstop steeds enkele wedstrijden afwezig was. Naar later bleek: omdat hij dan in de bak zat. Het was steeds hetzelfde liedje met hem. Totdat we in de laatste pot voor de winterstop, in een bloedfanatieke wedstrijd, nét verloren. Toen zei hij in de kleedkamer: “Ik ga zorgen dat ik er na de winterstop meteen weer sta.” Hij had gezien dat we na de winterstop gelijk weer tegen het team moesten, waarvan we zojuist verloren hadden. En inderdaad: hij wás er. En we wonnen!’

 

Hij lacht.

 

‘Na die zege heeft die jongen nooit meer een gevangenis van binnen hoeven zien.’

 

Inmiddels heeft Giovani op vele plekken in Rotterdam een geschiedenis, zoals in IJsselmonde en Beverwaard. Enkele jaren terug maakte hij iets tamelijk extreems mee: een Marokkaanse jongen ging in een tram spontaan en met gevouwen handen voor hem op de knieën, uit dankbaarheid.

 

‘Ik heb die jongen ooit twee keer naar de huisarts gebracht, omdat hij tekenen van schizofrenie vertoonde. Meer niet. Maar zie: door dat ene stapje extra te doen, is die jongen geholpen.’

 

Opnieuw laat Giovani doorschemeren toch vooral  in een niet-cijfermatige boekhouding te geloven. Knipogend…

 

‘Welke baas betaalt je op die manier uit?’

 

Tot waar neem je ellende mee naar huis?

Het verhaal van Giovani maakt nieuwsgierig naar waarom hij wél steeds die extra stap doet. Waarom hij consequent officiële werkuren negeert als mensen acuut in nood verkeren. Hij legt uit dat collega’s, logischerwijs, aan zelfbescherming doen (‘tot waar neem je je werk mee naar huis?’) en dat hij na het begeleiden van een totaal verwaarloosd gezin in Dordrecht (‘je kon de vloer in hun huis niet meer zien en er amper nog ademhalen’) ook tegen slaapstoornissen is aangelopen, maar dat hij nu een remedie gevonden heeft tegen de mentale druk.

 

‘Als ik thuiskom wil ik geen Journaal meer zien. Geen ellende. Ook niet Dr. Phil. Als het kan, schakel ik onmiddellijk over naar een  tekenfilm of een sitcom. En ik sport en dans ontzettend veel. Dat is mijn manier van uitklokken. Alleen zó houd ik een goede balans.’

 

Giovani wil zich, tot slot, niet te veel verliezen in bespiegelingen over verschillen tussen de Nederlandse en Antilliaanse cultuur. Hij durft wel te zeggen dat het ‘langzaam beter gaat’ met de Antillianen in Rotterdam. Zoals gezegd, heeft hij tijdens zijn eigen sollicitatieperiode uit de eerste hand meegemaakt hoe vijandig hijzelf bejegend werd.

 

‘Na weer een mislukt gesprek waarbij ik, ondanks mijn diploma’s, niet serieus werd genomen, ben ik van mijn fiets gestapt en heb ik een kwartier zitten huilen.’   

 

Giovani is de zesde geportretteerde in de serie 'Stadsiconen', waar eerder Bart Hertog (wijkschoolcoördinator),  Sonja van Idsinga (volkstuinvrijwilliger), Margi Geerlinks (initiatiefnemer), Bram Legerstee (acteur)  en Sevim Suluki (ouderconsulent) werden bevraagd over hun buitengewone inzet voor de stad. 

 

Afbeelding / Giovani Ipcedencia

 

De serie Stadsiconen is een samenwerking tussen Stadslog en #Veilig010

 

 

Rubriek Stadsiconen

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel