Bram Legerstee, acteur

15-5-2014 19:54

Door Hans van Willigenburg

Vechten tégen en sleuren áán de contactarme stad

 

De komende maanden zal Stadslog Rotterdam onder de titel ‘Stadsiconen’ in maximaal duizend woorden Rotterdammers portretteren, die niet zo snel de krant halen, nieuws maken, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan hoe de stad van-dag-tot-dag functioneert. En hopelijk, met extra steun van Stadslog, andere Rotterdammers inspireren ook een bijdrage te leveren. In de tweede aflevering Bram Legerstee (48), acteur bij rotterdamscentrumvoortheater en werkzaam in de dagelijkse leiding.

 

Verhalen zijn er altijd. Drama is overal. Zeker in de grote stad. Maar hoe zorg je als theatermaker dat je anno 2014 werkelijk ‘binnen komt’ bij het publiek, dat veelal is opgegroeid met (en niet zelden afgestompt is dóór) de tv-wetten en zich na een x-aantal minuten afvraagt waar de reclameblokken blijven? Geboren Rotterdammer Bram Legerstee, zelf acteur en actief in de dagelijkse leiding van het rotterdamcentrumvoortheater (www.rcth.nl), beaamt dat de tijden van Shakespeare voorbij zijn (‘toen duurde een toneelstuk gerust vier uur, was theater een avondje uit en deed het publiek alles wat God verboden had’) en dat er andere methodieken nodig zijn om Rotterdammers, en dan vooral niet-theaterliefhebbers, daadwerkelijk te raken.

 

‘De bron van ons stuk “Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen” is niet meer de fictieve tekst van één toneelschrijver, maar zijn de belevenissen van zeven, Rotterdamse homoseksuelen op leeftijd. We tuigen de werkelijkheid, plat gezegd, niet meer op, maar we vallen er middenin. Middenin hun veelbewogen levens.’

 

De zaal zit opeens vol homo’s

Als klap op de vuurpijl zijn de homo’s om wie het gaat, de mensen dus die hun levensverhaal als basismateriaal voor het toneelstuk hebben prijsgegeven, zèlf bij de voorstelling aanwezig. En stellen zij zich beschikbaar om na afloop met het publiek in gesprek te gaan. De winst van een dergelijke opzet? Inderdaad, die mythische ‘gemeenschappelijke ervaring’ waar in het kortademige zaptijdperk, niet zelden aangevuld met contactmijdende oordopjes, zo’n ontstellend gebrek aan lijkt te zijn. Legerstee:

 

‘Uiteindelijk is het heel simpel: als theatermaker wil je de kans dat de voorstelling langs mensen heen gaat tot een absoluut minimum beperken. Nou, als ik dan met die ogen kijk naar “Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen” zijn we daar, denk ik, in geslaagd. En wat het allermooiste is: dat de achterliggende thematiek – de angst of onmogelijkheid jezelf te zijn – doelgroepoverstijgend blijkt te zijn. Ineens blijkt zowat iedereen zich met die verhalen te kunnen identificeren. De zaal zit opeens vol met homo’s op leeftijd. Bij wijze van spreken, dan...’       

 

Eind jaren ’80 is het rcth, aldus Legerstee, in het leven geroepen om zich te ontfermen over alles wat tussen ‘amateurtoneel en Kunst met de hoofdletter “K”’ in zit. Vanuit de gedachte dat de zegeningen van het fenomeen theater niet beperkt mogen blijven tot een intellectuele elite of kleine achterafzaaltjes, maar in een complexe en soms verwarrende metropool als Rotterdam grote bevolkingsgroepen kan helpen te aarden, het onderlinge begrip te verbeteren, zelfkennis te verhogen. Om die functie zo goed mogelijk te vervullen, houdt Legerstee zich niet alleen bezig met het acteervak zelf (‘net als elke acteur ben ik nog dagelijks bezig met mijn timing, ofwel: hoe lang moet een pauze precies duren en wanneer vervolg ik mijn tekst om maximaal te ontroeren of de komische scène tot zijn recht te laten komen?’), maar onderhoudt hij, bijvoorbeeld, intensief contact met lokale VMBO-scholen. Een immense doelgroep die, helaas, nog steeds ten prooi is aan allerlei vooroordelen en alleen al daarom baat zou kunnen hebben bij de kennismaking met theater, waarin werelden en ingesleten denkpatronen, als bij toverslag, omgedraaid kunnen worden. Legerstee:

 

‘Onze maatschappij is tegenwoordig zó snel in het plakken van etiketjes. Met de rolwisselingen en verkleedpartijen die het theater eigen zijn, kun je dat etiketteren op zijn minst ter discussie stellen. En in het ideale geval: terugdringen. Zo van “kijk eerst eens goed, voordat je oordeelt”.’   

 

Verdwijnen is een feest

Pratend met Legerstee valt op dat hij het weliswaar met zeer veel respect en interesse over het theatervak heeft, maar dat de sfeer van in hoofdletters gestelde regels en wetmatigheden volstrekt afwezig is. Dat het theater vloeibaar is, onherhaalbaar, kortom, dat geen voorstelling hetzelfde uitpakt, is voor hem een zegen. Legerstee maakt een kort uitstapje naar zijn jeugd. Om zijn onrust te illustreren. Als kind was hij geïnteresseerd in tekenen, misschien zelfs lichtelijk obsessief daarin, maar na het afronden van weer een tekening werd hij telkens overvallen door een tamelijk ongerichte wil tot aanhoudende actie. Legerstee:

 

‘Als een tekening af was, kon ik alleen maar denken: “Leuk. Maar wat nu?”.’

 

Een ander (onvoorzien) minpunt dat zijn tekenwoede veroorzaakte, bleek het ongemakkelijke weerzien met werk dat hij weken of maanden daarvoor had gemaakt. 

 

‘Ik pakte het, ik keek ernaar en ik dacht: wat moet ik ermee? Heel vaak gooide ik het weg.’

 

Hoewel Legerstee in het verleden diverse film- en tv-klussen heeft gedaan, is het pure theater – zoals dat in hedendaags taalgebruik heet – ‘zijn ding’. Gezien zijn afkeer van confrontaties met eigen werk dat is blijven liggen, is die voorliefde zeer verklaarbaar.

 

‘Een voorstelling verdwijnt. Veel kunstenaars ervaren dat als een nederlaag, maar ik vind dat juist heel prettig.’

 

Niet-alledaagse gesprekken

Desgevraagd wil Legerstee wel iets over acteren zeggen, maar wat hij te zeggen heeft blinkt uit in nuchterheid (‘je kán nooit een ander spelen, alleen via jezelf degene oproepen die je geacht wordt te spelen’). Terwijl vooral literaire schrijvers steen en been klagen dat het publiek steeds meer geneigd is de fictie in boeken over te slaan en alleen nog maar geïnteresseerd lijkt in vragen als ‘klopt ‘t?’, ‘heeft u dat zelf meegemaakt?’ en ‘bestaat dat personage écht?’, kan Legerstee er niet zo mee zitten. Het rauw-realistische recept van de succesvoorstelling ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’ is dan ook doorgetrokken in de huidige voorstelling ‘Wie is er nou gek’, aan de basis waarvan interviews lagen met (ex-)psychiatrische patiënten. En waarbij het inzicht dat iedereen tot op zekere hoogte ‘gek’ is, zich tijdens het stuk bijna onontkoombaar opdringt. Legerstee:

 

‘Bij dit soort voorstellingen valt de missie van rcth wat mij betreft helemaal op zijn plek. Actueel, relevant, pakkend theater maken, dat aanzet tot niet-alledaagse gesprekken en vormen van zelfreflectie. En let wel: ik ben daar niet de bedenker van, maar slechts de nijvere uitvoerder. Paul Röttger gaat als onze mentor en inspirator voorop in deze “battle”.’

 

Niet dat iedereen in Rotterdam zich overigens láát bereiken, láát inspireren. Neem de nieuwste groep immigranten, de Roemenen en Bulgaren: die zijn extreem moeilijk bereikbaar en lastig te interesseren voor iets dat waar ze niet onmiddellijk het profijt van inzien. Het dwong rcth tot een nederig plan. Legerstee:

 

‘Om met die doelgroep in gesprek te komen, hadden we een heel praktische insteek gekozen: het organiseren van een avond over beter financieel management. Er kwamen welgeteld twee mensen op af. Op dat front is dus nog een hoop werk te doen.’ 

 

Het is niettemin troostrijk dat er plekken zijn, zoals rcth, en mensen, zoals Bram Legerstee, die ‘ons’, Rotterdammers, steeds weer wakker proberen te schudden, nieuwe vragen opwerpen en ons op een verrassende manier naar de werkelijkheid laten kijken. Hoe zou Legerstee het vuurtje zelf omschrijven dat hem al zo lang aan dit vak en deze complexe stad bindt? Legerstee:

 

‘Het mooie van Rotterdam is dat je, in symbolische zin, bijna geen toeristische route hebt en dat je vrijwel meteen terechtkomt op de avontuurlijke zij- en zandpaden. Dat avontuur maakt deze stad voor een theatermaker onuitputtelijk. En in dat avontuur blijf ik me maar wat graag storten, tot de laatste krachten óp zijn…’

 

Het eerste portret uit de serie 'Stadsiconen', met in de hoofdrol Sevim Suluki, vindt u hier

 

Afbeelding / Bram Legerstee

 

De serie Stadsiconen is een samenwerking tussen Stadslog en #Veilig010

Rubriek Stadsiconen

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel