Fietsnazi's

19-11-2013 10:59

Door Robbert Meijntjes

Hallucinant verhaal uit de Rotterdamse kelders

 

Er schoot een kogel door de kerk. Meneer Wasseman gooide zijn bekertje, gevuld met hete koffie, door een wachtkamer die eigendom was van de Gemeente Rotterdam. De vlucht liet sporen na op de knalwitte vloer met een finale afdruk op de muur, waar het karton uiteenspatte.

Met opgezwollen aders zwaaiden zijn vuisten door de lucht. Meneer Wasseman's voeten stampten op de vloer. En zijn woorden, die afgevuurd werden als door een kanon, deden een klein blond jongetje in huilen uitbarsten.

‘Waar is mijn fiets!’ schreeuwde hij.

Een piepklein dametje in pak kwam door de wachtruimte aangerend.

‘Meneer, meneer, kalmeer nu toch eens even.’

Om de voortdenderende tirade heen stonden nu zeker zo’n vijf vertegenwoordigers van de hulpverlenende instanties, waarvan meneer Wasseman toch op zijn minst hulp verwachtte. Het vijftal gezette mannen keek toe met over elkaar gevouwen armen, terwijl de enige van het vrouwelijk geslacht nog altijd vroeg tot bedaren te komen, onderwijl meneer Wasseman proberend te bedwingen met psychologisch onderbouwde handgebaren.

 

De blondine stapte naar voren, druk pratend en bewegend als een cliniclown aan de speed met een stem zo groen als de lente. Ze droeg oorbellen, zo groot dat je er een autoband mee kon vervangen. En haar borsten, hadden op haar recente zestiende verjaardag gediend als bierhouders en dienbladen, waarop appelcake werd geserveerd.

Ze veegde een lok achter haar oor terwijl ze naderde en haar hand uitreikte naar de arm van meneer Wasseman.

Maar deze beet toe als een kaaiman en sloeg met zijn platte hand de hare bij hem vandaan. Een klets was hoorbaar in de verder muisstille wachtkamer. Kinderen werden op schoot getrokken.

‘Blijf van mijn lijf, smerige fietsnazi!’ spetterde hij tussen zijn tanden door.

Dit was het teken waarop de aanwezige mannen met over elkaar gevouwen armen hadden gewacht. Van blonde stagiaires diende men af te blijven. Eén voor één besprongen ze meneer Wasseman, al was hij een uit supermarkten stelende Marokkaan. Op de vloer krioelde het plots van de ambtelijke vertegenwoordigers en de woeste ledematen van meneer Wasseman. Ambtelijke vuisten dwongen zich naar voren, handboeien werden uit kontzakken gegrepen en pistolen werden gericht.

‘Bedreigingen jegens een ambtenaar!’ werd er geschreeuwd.

‘Verstoring van de openbare orde!’

‘Houdt die bejaarde vast!’

 

Enkele minuten later werd meneer Wasseman, geboeid en met slepende knieën, door twee kleerkasten de wachtkamer uitgedragen en belandde hij in een onverlichtte ruimte waar hij voor onbepaalde tijd in bewaring zou worden gehouden.

 

In dit interbellum, waar tijd en licht niet bestonden, zat meneer Wasseman als een aapje in een kooi. De geluidsdempende muren van dit oude overheidsgebouw hadden al eeuwen en zelfs de Tweede Wereldoorlog overleefd en slaagden erin meneer Wasseman naar de afgrond van de krankzinnigheid te drijven. Moment na moment, ging voorbij. Na ieder seconde een minuut of een uur. Zonder tijdsbeleving van wat dan ook. En omdat meneer Wasseman zijn schone luiers in de tassen van zijn fiets had laten zitten, was hij genoodzaakt om te kakken in een hoek. Wanneer hij zijn urine moest laten kletsen, deed hij dit tegen dezelfde muur. En wanneer hij moest braken door deze ongelooflijke stank van ontbindende bejaardendrab in een ongeventileerde kamer, deed hij dit zoveel mogelijk in zijn binnenzak.

Opgevouwen en ineengedoken in een andere hoek verstreek in de pure zwartheid van het duister de tijd.

Plotseling scheen er dan toch licht de ruimte in. Het was als het licht van de oerknal, dat meneer Wasseman, ineens en onverwacht, in zijn gezicht overviel. Om zich heen hoorde hij het geluid van smakkende laarzen op vochtige grond. Iedere stap kleefde vast aan zijn natte stront als Adidas sneakers aan uitgespuugde kauwgom. Er werd geklaagd en getierd, maar wat er werd gezegd bereikte zijn oren niet. Wanneer hij opkeek zag hij enkel vier benen, als pilaren die hem optilden en hem aan zijn armen het hok uitsleepten.

 

In een nieuwe wachtkamer werd hij op een nieuwe stoel geïnstalleerd. Handen als betonhamers op zijn schouders, vertelden hem dat hij moest blijven zitten omdat hij anders gefusilleerd zou worden. Meneer Wasseman, niet gegeten, niet gedronken en bovendien ongewassen, bleef zitten als een dood vogeltje op sterk water in het Maritiem.

Wachtenden om hem heen schoven enkele stoelen op, naar links en naar rechts zo ver het oog kon zien. Uit zijn broekspijpen dropen de meest recente fecaliën uit zijn ouwelijk lijf op de vloer. De klok aan de muur achter de nabijzijnde balie, vertelde hem weinig behalve de tijd. En nadat de wijzers enkele volledige cirkels hadden gedraaid, hoorde hij hoe nieuwe ambtelijke voetstappen hem naderden.

‘Bent u nu gekalmeerd?’ vroeg dezelfde blondine.

Meneer Wasseman keek op. En in plaats van de dame van een verbaal antwoord te voorzien, droop er uit zijn linkermondhoek een galkleurig straaltje braaksel.

 

De stagiaire kwam naast hem zitten. Ze keek vluchtig om haar heen als een hertje op zoek naar jagers alvorens het begint te grazen. Meneer Wasseman voelde hoe haar hand over zijn bovenbenen wreef. Door zijn kletsnatte spijkerbroek voelde hij alsnog haar warme aanraking, waaraan haar goudkleurige armbanderige versielsels rinkelden.

‘Nog nooit heb ik zo’n woeste man ontmoet,’ fluisterde ze in zijn oor.

Zijn oorharen kriebelden als gevolg van de zachte naar snoepjes ruikende adem, die haar fluwelen mond verliet. ‘Wat scheelde het weinig, of ik had u met mijn collega’s gedeeld en was u besprongen op de vloer van dit geestdodende gebouw.’

 

Meneer Wasseman draaide zijn oogbollen en liet ze over haar lichaam glijden. De gespannen knoopjes van haar bloes, deden hem aan die van zijn kleindochter denken. Beschaamd wiebelde hij op zijn stoel, waardoor hij zijn ontlasting weer op voelde komen.

‘Weest u niet nerveus, meneer,’ zei ze. ‘Binnenkort zit mijn stage erop, en kunt u langskomen wanneer u wilt.’

‘Mijn fiets,’ stamelde meneer Wasseman. ‘Mijn fiets, waar is mijn fiets?’

‘Ik ben uw fiets, meneer Wasseman. U mag mij berijden wanneer u wilt. Op iedere versnelling, in iedere doodlopende steeg.’

‘Dood!’ riep meneer Wasseman. ‘Ga ik dood? Net als in Dachau? Is mijn dood nabij? Word ik tegen de muur gezet voor het executiepeloton en ditmaal niet net op tijd gered door de binnenvallende geallieerden? Oh wee oh wee!’

Meneer Wasseman liet zich op zijn knieën vallen en drukte de beide handen van de stagiaire in de zijne. Zijn snotterende neus droop tussen haar voeten.

‘Genade,’ smeekte hij, ‘Genade! Neemt u mijn fiets toch mee! Stuurt u hem naar het vaderland. Ik zal nooit meer op Rotterdamse stoepen fietsen! Ik doe alles voor u, maar spaart u toch het leven van een oude man in zijn laatste dagen!’

De stagiaire bleef bewegingloos zitten en keek neer op het kalende hoofd van de bejaarde man, die snotterend tussen haar benen lag. Ze begon heviger te ademen, beet op haar onderlip en keek om zich heen. De wachtkamer was leeg. Bij de receptie waren ze aan het afsluiten. Ze drukte zijn schedel dieper tussen haar benen. Met tranende ogen keek hij op.

 

Alles?’ vroeg ze.

 

Afbeelding / www.fietsberaad.nl

Rubriek Razend Rotterdam

Robbert Meijntjes

Robbert Meijntjes (1986) publiceerde eerder in Trouw en won het literaire evenement 'Rotterdamse Lettertypes'. Regelmatig is hij met optredens zowel in Rotterdam als Amsterdam te z...

Bekijk profiel