Hoe leggen we stevige basis voor die schitterende 'inclusive society'?

17-10-2013 12:30

Door Hans van Willigenburg

Superdiverse onderwijsdiscussie in het superdiverse Rotterdam

 

Afgelopen donderdag, 10 oktober 2013, vond de conferentie ‘Inclusive Society Next level’ (#ISNL) plaats, in de grote zaal van Hogeschool InHolland te Rotterdam. Eminente sprekers over onderwijs en de multiculturele samenleving waren door het Rotterdamse bureau Sezer bijeengebracht om licht te werpen op de meest actuele hobbels richting de zo gewenste ‘inclusieve samenleving’.  Stadslog doet puntsgewijs verslag van de bijzondere momenten en ideeën op deze bijeenkomst. De conclusies zijn aan de lezer!

 

‘Iedereen' als ambitie

Hoe divers het publiek in de collegezaal ook is, de centrale gedachte die de hele middag in alle toespraken van #ISNL zit verweven en ook in de pauzes tussen iedereen wordt gedeeld, is klassiek Nederlands: er mag niemand achterblijven. Alle kinderen in Rotterdam en elders in het land – hoe nadelig hun geschiedenis of achtergrond ook is – moeten kansen krijgen om zich in de samenleving te ontplooien, mee te doen. De intrigerende vraag is of die enorme ambitie – de term ‘iedereen’ laat weinig ruimte voor nuance - vooral gevoeld wordt door de professionals die hem uitspreken. Of dat de jongeren die om wat voor reden ook buiten de boot dreigen te vallen, die ambitie evenzeer voelen. Feit is dat de jongeren waar het om gaat zelf niet in de zaal aanwezig zijn. Het is, kortom, een bijeenkomst van wetenschappers, managers, rectoren, mentoren en leraren óver  jongeren, over het vergroten van hun kansen.      

 

De winst van superdiversiteit?

Stadshistoricus Paul van de Laar introduceert het begrip ‘Superdiversiteit’. Niet alleen verwijst die term naar een extreme diversiteit in taal, cultuur, religie en etnische afkomst (waar Rotterdam al volop mee te maken heeft), maar door het voorvoegsel ‘super’ suggereert het ook een mogelijke kans voor Rotterdam om, gebruik makend van die ‘superdiversiteit’, een bepaalde voorsprong te nemen: economisch, sociaal, intellectueel. Die laatste gedachte heeft een hoog onzekerheidsgehalte en wordt dan ook met enige scepsis in de zaal begroet. Van de Laar spreekt ondertussen vooral over ‘superdiversiteit’ als een realiteit, als iets wat in de straten van Rotterdam reeds alledaagse werkelijkheid is. En de gewetensvraag die hij opwerpt is: moeten Rotterdamse scholen hun curriculum niet veel meer gaan toesnijden op die reëel bestaande superdiversiteit? Ofwel: hoe logisch is het dat het westerse gedachtegoed en de vaderlandse geschiedenis nog steeds een dominante stempel drukken op het onderwijs in Rotterdam? Aan de eventuele ‘winst’ bij invoering van zo’n cultureel veelkleuriger curriculum komt Van de Laar in de hem toegemeten tijd, helaas, niet uitgebreid toe. Maar de vraag is wel intrigerend: zou zo’n curriculum de kansen van de Rotterdamse jeugd inderdaad vergroten, ja of nee?

 

Cultuur: dynamisch én remmend

Splinternieuw is het niet, maar kan het ooit genoeg benadrukt worden? Het ‘culturele kapitaal’ dat kinderen van huis uit meekrijgen, is de meest bepalende succesfactor in hun onderwijscarrière en latere loopbaan. Cultuur is daarmee een tweesnijdend zwaard. Als het in je rugzakje zit, is het een dynamische factor, kun je er talloze barrières mee doorbreken, netwerken mee binnendringen en dus kansen voor jezelf creëren. Maar cultuur is – tegelijkertijd! – een potentieel remmende factor: bij onvoldoende bagage zal het je kansen, in het slechtste geval levenslang, beperken. Het brengt Anita Nanhoe ertoe een vurig pleidooi te houden voor meer ‘gevoeligheid’ bij leerkrachten voor de culturele dimensies in een klas. En voor structureel meer aandacht voor cultuur in het curriculum. Ze strijdt tegen het ‘schaamtegevoel’ dat veel jongeren nog overvalt, louter en alleen omdat ze niet of onvoldoende op de hoogte zijn van culturele gebruiken. Ook bij Nanhoe geldt: ze snijdt een interessant punt aan, maar er is – begrijpelijkerwijs – geen tijd om het onmiddellijk en tot in details op te lossen. Hoe ziet zij, bijvoorbeeld, de onmiskenbare economisering van het onderwijs, waarbij de nadruk steeds meer komt te liggen op praktijkvaardigheden en economisch rendement en veel minder op culturele kennis? Ze laat die trend vooralsnog onbesproken. Al toont ze met statistieken, interessant genoeg, wél aan dat de béta-vakken meer emancipatoire kracht  bezitten, meer kans op sociale stijging dus, dan de alfa-vakken.   

 

Maak kinderen enthousiast

Zonder twijfel de meeste bijval krijgt rector Paul Scharff van het Erasmiaans Gymnasium Rotterdam. Zijn succes geldt zowel zijn levendige lichaamstaal als zijn rijke voorraad aan voorbeelden uit ‘dertig jaar onderwijs’. Hier staat een man die nog steeds blaakt van energie, maar tegelijkertijd zo eerlijk is om zijn diepgevoelde cynisme over verheven onderwijsdoelen met het publiek te delen. Plompverloren gezegd: Scharff gooit alle onderwijsrecepten op de schroothoop, al was het maar omdat hij zo’n beetje alle idealen zien opbloeien en weer wegebben, van middenschool tot studiehuis. ‘Ik zeg niet dat er geen recepten zijn die werken,’ verklaart Scharff. ‘Maar áls er een recept blijkt te werken, is dat vanwege specifieke mensen of factoren die je op andere scholen onmogelijk kunt nabootsen.’ Met andere woorden: zodra een onderwijsrecept opklimt tot de status van ‘heilzaam’ of ‘dé methode’, of een wethouder ermee gaat leuren als ‘dé oplossing’, weet je zeker dat de verwachtingen tot irreële hoogte zijn gestegen. Het maakt nieuwsgierig naar Scharff’s eigen recept. Het blijkt een wonder van eenvoud te zijn! En hij krijgt er meteen applaus voor… ‘Gooi alle boeken en theorieën wat mij betreft aan de kant. En steek twee kinderen in je nabije omgeving aan met de dingen waar jijzelf als persoon enthousiast van wordt! Als wij en onze collega’s dat allemaal zouden doen, is er helemaal geen theorie of methode meer nodig. Dan komt het goed met de Rotterdamse jeugd!’

 

In de wandelgangen...

In de pauzes van #ISNL wordt keihard genetwerkt. Men wisselt kaartjes uit. Voert verhitte discussies. En praat na over de verhalen van de diverse sprekers. Meer dan achter het katheder wordt hier de taal van de weerbarstige praktijk gesproken. Ofwel: hoe houd je gezinnen met twee werkloze ouders op de rails? Hoe zorg je dat een kind dat twee jongere broertjes moet opvoeden  ook nog toekomt aan zijn eigen toekomst? En hoe voorkom je dat een jongen met CITO-angst op een veel te laag schooltype terechtkomt? Het zijn kwesties die niet alleen nederig maken, maar ook de onvermijdelijke ontoereikendheid van modellen en wetenschappelijke benaderingen onderstreept: de werkelijkheid is altijd complexer en veelkleuriger.

 

Eén opmerking vanuit de zaal blijkt na afloop bij meerdere deelnemers te zijn blijven hangen, namelijk de opmerking dat de conferentie heel erg ‘in het teken staat van de westerse opvatting over een geslaagd en nastrevenswaardig leven’. Alsof een egaal geplaveide route naar een baan, een relatie, een huis en een inkomen onderwijsbreed het ultieme en onomstreden einddoel dient te zijn. Dat zulks een té eenzijdige opvatting is; daar lijken de meeste deelnemers het wel over eens. Maar ook hier geldt: als dat te beperkt is, wat streeft het ideale onderwijs in een ‘inclusive society’ dan wél na?

 

Het is een megagroot cliché: maar al met al genoeg stof tot nadenken, dus, voor een volgende editie van #ISNL.  

 

Dit artikel is een samenwerking tussen Stadslog en Sezer Consult

 

Afbeelding / Sezer / 'Stadshistoricus Paul van de Laar spreekt de zaal toe over o.a. "superdiversiteit"'  

Rubriek Ogen/Oren

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel