Ernest van der Kwast schrijft internationale gids voor grootsteedse schoonheid

10-11-2016 08:57

Door Hans van Willigenburg

‘Het wonder dat niet omvalt’ is méér dan een portrettenreeks van onbekende Rotterdammers

Schrijver Ernest van der Kwast (1981) was altijd al ‘van Rotterdam’. Maar met zijn nieuwste bundel, ‘Het wonder dat niet omvalt’, een zestigtal portretten van onbekende maar betoverende Rotterdammers, is hij het meer dan ooit. Hoogste tijd voor een gesprek met deze leergierige schrijver, die zijn rust op de berg inruilde voor een hernieuwde kennismaking met de stad waar hij opgroeide. In 10 citaten blijkt hij niet alleen een rasschrijver te zijn, maar ook een geëngageerde Rotterdammer, die beseft dat het hosanna-verhaal over de stad twee kanten heeft.

CITAAT  1

‘ROTTERDAM IS EEN FIJNE, PRETTIGE STAD’

Over de menselijke maat die Rotterdam gelukkig nog bezit

‘Het klinkt een beetje truttig, maar je kunt in Rotterdam “fijn en prettig” leven. Het prettige zit erin dat het geen miljoenenstad is. En dat Rotterdam internationaal weliswaar aan de weg timmert, maar nog geen regelrechte “hot spot” is. Voor een heel schappelijke prijs huur ik een kantoor in het centrum. Met uitzicht op het stadhuis. En op de fiets kan ik in twintig minuten overal in de stad zijn. Ook dat is prettig. En er is tegelijkertijd genoeg “leven” in de stad. Ter vergelijking… Mijn ouders wonen in Toronto, Canada. Daar zou ik niet willen wonen. Veel teveel auto’s! Maar mijn vader en moeder pakken daar ijskoud de fiets. Ze zijn gek. Of, nou ja, typische Nederlanders! In rapportcijfers geef ik Rotterdam een 7. Dan is er nog lekker wat te doen om een 8 of een 9 te worden. Zelf geef ik mezelf ook nooit een 9 of een 10. Al was het maar om het prikkelende vooruitzicht te behouden dat je jezelf kunt verbeteren. ’

CITAAT 2

‘DIE DERDE BRUG MOET EEN FIETS- EN VOETGANGERSBRUG WORDEN’

Over de wens fietsers te trakteren op nog meer ruimte en plezier

‘Ik houd van fietsen. En gelukkig is Rotterdam bezig om de fiets meer ruimte te geven. Toch sta ik nog wel eens doodsangsten uit. Vooral als ik met mijn twee kinderen door de stad fiets. Met name in de kleine straatjes rond de school kom je ogen tekort. Automobilisten lappen de regels aan hun laars. Parkeren op de stoep. Of in bochten. Ze hebben vaak haast en lak aan regels. Dus als de gemeente daar wat strenger wil controleren of auto’s wil weren: graag! Ik snap sowieso niet waarom de auto overal zou moeten komen. Vandaar dat ik die derde brug in Rotterdam  – waar nu over gespeculeerd wordt – graag een fietsers- en voetgangersbrug zie worden. Het signaal moet volgens mij zijn: met de fiets ben je er snéller dan met de auto. Toen ik op de middelbare school zat, was ik rapper op school op de fiets bij het Erasmiaans, dan dat mijn vader met zijn auto in het Erasmus MC arriveerde, daar vlak tegenover. Zo krijg je mensen uiteindelijk de auto uit. Al had mijn vader er even voor nodig om óók voor de fiets te kiezen.’   

CITAAT 3

‘HET PROBLEEM DAT DE MEESTE AANDACHT VERDIENT, IS SEGREGATIE’

Over de noodzaak dat minder geld naar ‘Ons Soort Mensen” gaat en meer naar de kwetsbare wijken

‘Ík kan Rotterdam wel een fijne stad vinden. Maar de grote vraag is natuurlijk of mensen op Zuid, in wijken als Feijenoord, IJsselmonde en de Tarwewijk, het ook een fijne stad vinden. Ik ben bang dat sommige beleidsmakers nog geloven in de regel ‘arm = dom’. En dat er een tweede, parallelle stad aan het groeien is, waar wij, ‘Ons Soort Mensen’ zeg maar, nauwelijks zicht op hebben. Ik vrees ook dat er te veel van het gemeentelijk budget naar ‘Ons Soort Mensen’ gaat, terwijl je massief zou moeten investeren in die achterstandswijken om ze “erbij te trekken”, en dan met name in de scholen daar. Van directeur Eric van ’t Zelfde heb ik begrepen dat zijn Hugo de Groot-school op jaarbasis tienduizenden euro’s aan stookkosten betaalt, omdat het in een oud gebouw is gevestigd. Dat is waanzin. Als je nadenkt over wat je met zo’n bedrag voor kinderen zou kunnen doen! Maar dan moet zo’n schoolgebouw wél fatsoenlijk duurzamer worden gemaakt… Ja, als het aan mij zou liggen, zou de gemeente structureel investeren in betere scholen in de kwetsbare wijken. Dáár moet het gebeuren! Dáár kun je de cruciale slag winnen!’   

CITAAT 4

‘IK ZOU IN DEZE STAD LIEFST MORGEN EEN DELTAPLAN VOOR DE VERBEELDING BEGINNEN’

Over de slimste strategie tegen sociale verharding

‘Ik wil ook dat kinderen in aanraking blijven komen met andere culturen en denkwijzen. Dat klinkt domineeachtig, dat weet ik… Maar als ik zie hoe mijn kinderen reageren als ik met ze naar het Wildlife filmfestival ben geweest. Wat voor werelden er dán voor hen open gaan! Het besef dat er oneindig grote en oneindig kleine dieren bestaan… Maar het geldt net zo goed voor mezelf. Deze zomer werd ik positief verrast door het Tentakel festival. Een cultureel festijn voor jong en oud op acht verschillende pleinen in Rotterdam, waarvan ik de helft van de pleinen óók niet kende. Kinderen leerden daar bijvoorbeeld te protesteren. Heel hard te schreeuwen: ‘Ik wil geluk!’ Fantastisch. Dat soort evenementen zijn broodnodig. Daar heb je er nooit genoeg van. Ik zou in deze stad het liefst morgen met een lokaal Deltaplan voor De Verbeelding beginnen. Dat is volgens mij de meest effectieve strategie tegen de verharding.’

CITAAT 5

‘IK WERD ONTROERD DOOR MIJN EIGEN TEKST, OMDAT IK EVEN BESEFTE HOE IKZELF TEKORTSCHIET’

Over voorlezen uit ‘Het wonder dat niet omvalt’

‘Welk portret uit mijn bundel mij het meest dierbaar is, is een lastige vraag. Ik wil niet graag een keuze maken tussen al die bijzondere Rotterdammers die ik heb mogen portretteren. Maar als je een pistool op mijn hoofd zet, dan gaan mijn gedachten uit naar de straatdokter, Marcel Slockers. Het klinkt hoop ik niet te aanmatigend, maar toen ik dat portret over hem onlangs voorlas in Dordrecht, hield ik het zelf niet droog. Ik ga dan niet huilen, zó ver laat ik het op een podium niet komen. Maar ik brak wel even. Op dat moment werd ik – behalve door de indrukwekkendheid van Slockers zèlf natuurlijk – ontroerd door mijn eigen tekst, omdat ik even besefte hoe ikzelf tekortschiet. Iemand als Slockers gelooft nog in het collectieve geluk. Dat doe ik ook. Maar een straatdokter als Marcel Slockers lééft daar naar. Die cijfert zichzelf weg en stelt zijn leven ter beschikking van degenen, waar niemand naar omkijkt. Als je daarbij stilstaat en je schrijft het een beetje goed op, zou het bijna gek zijn als je niet ontroerd raakt.’

CITAAT 6

‘WOEDE LAAT IK IN MIJN WERK ZO MIN MOGELIJK TOE, IK PROBEER VIA SCHOONHEID HET PUNT TE MAKEN’

Over bezuiniging op de wereldkampioen die kinderen laat spelen en stralen

‘In mijn boek staat ook een portret over sport- en spelbegeleider Paulo Nunes, die ik omschrijf als “de wereldkampioen die kinderen laat spelen en stralen”. Hij is mijns inziens de belichaming van de juiste persoon op de juiste plek: iemand die Rotterdamse kinderen, die vaak een dichte deur vinden of door hun ouders op straat worden gegooid, bij de arm neemt. Ik probeer te laten zien hoe gedreven en hoe talentvol hij licht en plezier brengt in hun levens. En moet dan vervolgens constateren dat de gemeente die beroepsgroep wegbezuinigt – juist waar het zou moeten investeren! Maar ook in dit portret probeer ik de woede, die ik natuurlijk ook voel, buiten de deur te houden en via de schoonheid van wat Paulo doet het punt te maken.’     

CITAAT 7

‘IK WIL IN DE ROTTERDAMSE PAP ROEREN’

Over de drang een stempel te drukken op Rotterdam

‘Jarenlang ben ik op en neer gereisd tussen Rotterdam en mijn toenmalige huis op een Italiaanse berg. Dat begon me tegen te staan. Ik vond het te oppervlakkig, dat in- en uitvliegen. Omdat ik uiteindelijk tegenover mezelf moest toegeven dat ik toch in de Rotterdamse pap wil roeren, en je daar met al die airmiles, en omringd door koeien en klaver, niet écht aan toe komt. Dus heb ik besloten terug te gaan. Nu is mijn leven veel drukker dan bovenop de berg. Omdat mijn gezin en al mijn andere activiteiten volop tijd slurpen, ben ik ruim een jaar lang om half zes opgestaan om “De IJsmakers” te kunnen schrijven. Ik klaag daar niet over. Integendeel. In Italië concludeerde ik dat ik nog te jong was om de rest van mijn leven op een berg te wonen. En wat ik nu aan extra tijdsdruk moet incasseren, geeft Rotterdam mij aan inspiratie weer ruimschoots terug. In mijn volgende boek zal de problematiek van de grote stad dan ook zeker een rol gaan spelen.’     

CITAAT 8

‘DEZE BUNDEL GAAT NIET ALLEEN OVER ROTTERDAM’

Over de universele kracht van literatuur

‘Mijn Duitse vertaler raakte zodanig onder de indruk van “Het wonder dat niet omvalt”, dat het boek binnen afzienbare tijd ook in Duitsland zal verschijnen. “Deze bundel gaat niet alleen over Rotterdam,” luidde het oordeel. “Als je dit leest en je woont in Bremen of Hamburg of Berlijn, ga je net zo goed met een andere blik naar je eigen stad kijken. Ontdek je de schoonheid.” Ik ben er natuurlijk erg blij mee, dat het manuscript in Duitsland op deze manier is ontvangen. In Nederland hebben de literaire bijlagen de bundel tot nu toe genegeerd, omdat het een lokaal boek zou zijn. Gelukkig verscheen er onlangs wel een mooie recensie in Tzum.’

CITAAT 9

‘ANNO 2016 ZOU DE NRC MISSCHIEN IN ROTTERDAM ZIJN GEBLEVEN’

Over de wel of niet wenselijke inhaalslag ten opzichte van Amsterdam

‘Nieuwe iconen als De Markthal en het Centraal Station, juich ik toe. Het brengt beweging in de stad. En extra toeristen, die lokale economie een zetje geven. Niks ergers, lijkt me, dan een stad die zich neerlegt bij zijn lot, en de handdoek in de ring gooit. Dat city marketeers het recente succes soms wat overdreven in de rondte blazen, soit. Dat is hun baan. Met het interviewprogramma ‘Boek en Meester’ doe ik op mijn manier een poging serieuze schrijvers, liefst ook uit het buitenland, naar Rotterdam te krijgen. En daarmee het lokale cultuurklimaat te verlevendigen. Ik denk dan: wat voor extra moeite is het voor Jonathan Safran Foer of Laurent Binet om behalve naar Amsterdam ook een dag naar Rotterdam te komen? Gelukkig steunt de Letterencommissie in Rotterdam mij in dat streven. En ja, ik denk dat het gezond is dat Rotterdam ook in cultureel opzicht de strijd aangaat met Amsterdam. Niet in negatieve zin. Om elkaar iets af te snoepen. Maar als een voorbeeld waarnaar je kunt streven. Ik was een paar jaar terug verdrietig dat de NRC besloot naar Amsterdam te verkassen. Anno 2016 zouden ze misschien in Rotterdam zijn gebleven. Of dat écht zo is, weet ik natuurlijk niet. Maar dát ik het denk, zegt iets over de gestegen verwachting van wat er mogelijk is in deze stad.’

CITAAT 10

‘MIJN “DRIVE” IS MIJN VOLGENDE ROMAN’

Over het nieuwe boek waar niet veel over gezegd mag worden

‘Een voetballer concentreert zich op de volgende wedstrijd, een schrijver op zijn volgende roman. Daar zie ik geen principieel verschil in. Wat je ook doet, je moet je mijns inziens altijd willen blijven ontwikkelen. “Het wonder dat niet omvalt” had ik nooit kunnen schrijven als ik nog bovenop die berg had gewoond. Dat ik momenteel weer volop in het hier en nu leef, tegen situaties aanloop in de stad, bij mezelf denk ‘wel of niet wat van zeggen?’ en ‘wel of niet ingrijpen?’, zal, denk ik nu, een roman opleveren die harder wordt dan mijn voorgaande werk. Ja, hoogstwaarschijnlijk zullen er meer confrontaties in terechtkomen. Meer straatrumoer.   

'Het wonder dat niet omvalt'  is al toe aan een tweede druk en kun je niet alleen kopen in de boekhandel maar ook, hier, bestellen. 

Afbeelding / www.debezigebij.nl

Rubriek Ogen/Oren

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel