Freud op straat: verdringing

23-9-2012 17:40

Door Marina Meeuwisse

Rotterdam zit véél te vast aan opvoedend bedoelde en vooraf ingekleurde speelplekken. Waar volwassenen pogen vrijheid te ontwerpen, ervaren pubers slechts onbegrip en bewijzen van'niet-serieus-genomen-worden'. Pleidooi om niet te vervallen in verdringing en aangaande speelplekken minder of, liefst, helemaal niets te plannen.  

 

Net als een patiënt is het ontwerp van de stad, haar straten en haar buurten, naar het model van Freud op te vatten als delen van een persoonlijkheid. Als zodanig is de stad te analyseren. Freud onderscheidt het Ego, de drager van identiteit, dat altijd onderworpen is aan de machten van het Es (het onbewuste driftleven) en het Superego (het ‘geweten’). Daar is het Ego druk mee, terwijl het tegelijk de alledaagse werkelijkheid het hoofd moet bieden. Op het moment dat het Es of het Superego toch de macht wil grijpen treden er afweermechanismen in werking. Afweermechanismen zijn onbewuste strategieën waarvan het Ego zich bedient om innerlijke conflicten te reduceren en angst te verminderen. Zij zijn uitermate geschikt om te voorkomen dat bedreigingen en trauma’s de kop opsteken ….  

 

Verdringing

Deze afweermechanismen zorgen ervoor dat innerlijke, grotendeels onbewuste psychische conflicten worden weggedrukt. Verdringing zorgt ervoor dat gedachten, beelden, herinneringen of wensen in het Es worden weggedrukt of daar worden vastgehouden. Het zorgt ervoor dat er een eerdere wereld is, die onbereikbaar is geworden. Verdringing is een pijler van neurose, een psychisch conflict. Hoe herkennen we neurosen in de straten van de stad en hoe zien we wanneer er sprake van verdringing is?

 

De symptomen van neurosen zijn vaak af te leiden uit compromissen: vermommingen waarvan hetgeen dat verdrongen moet worden zich bedient, zodat het tot het Ego mag worden toegelaten. Voorbeelden van verdringing zijn gemakkelijk te vinden in Rotterdam. Zo is er gesteggeld over de plek waar het beeld ‘Kabouter Buttplug’ moest komen te staan. Hoewel het beeld volgens de maker Paul McCarthy een Kerstman met een kerstboom in zijn hand voorstelt, verwijst de Rotterdamse volksmond naar een seksspeeltje. En een gerespecteerd museum wil geen uit de kluiten gewassen seksspeeltje voor zijn voordeur.  

 

Er is meer verdringing zichtbaar in de inrichting van de stedelijke ruimte. Denk bijvoorbeeld aan de speelplekken die speciaal voor de jeugd worden ingericht. Die speelplekken vertegenwoordigen een collectief framework van culturele goederen waarmee economische en technologische inzichten worden doorgegeven. Spel wordt exclusief vanuit de volwassen wereld bekeken en gezien als een instrument om volwassenen te imiteren. Het verbeeldt de onzekerheid van de bourgeoisie, die niet goed weet om te gaan met de jeugd (Benjamin, 2005). Net zo drukt de inrichting van de speelplekken in stad het onvermogen uit om met jongeren om te gaan. Ontwerpers van speelplaatsen lijken niet te beseffen dat er voorwaarden nodig zijn om het spontane spel van jeugdigen te begeleiden. Evenmin lijken zij te begrijpen dat ruimte en voorzieningen geen actieve opvoedende rol hebben. De mythe dat speelplaatsen en stadsparken de natuurlijke toezichthouders zijn voor een gezonde ontwikkeling van de jeugd en het idee dat de straat, die bevolkt wordt door gewone mensen, in essentie slecht is voor de jeugd, geeft een verborgen afkeuring voor gewone mensen weer (Jacobs, 1961).

 

Toch worden er nog steeds nieuwe Cruijff Courts en Krajicek Playgrounds ingericht. Tja,  als we Anna Freud er op na slaan lezen we dat “verdringing meer presteert dan andere afweertechnieken, zelfs de meest sterke driftimpulsen kan zij nog de baas" (1966). In de kern is de stad, dus ook Rotterdam, een irrationeel schepsel dat wordt aangestuurd door onbewuste motieven. Behoeden we de jeugd  voor die onbewuste, irrationele motieven met de inrichting van speelplekken? Is dat de reden om hen naar speelplekken te verbannen?

 

Was sich liebt …

Zodra jongeren de voordeur achter zich sluiten en naar buiten gaan, worden zij van de straat verjaagd omdat ze te luidruchtig zijn of anderszins overlast veroorzaken. Daardoor kunnen jongeren zich sterk gemarginaliseerd voelen, wat een rijke bron van frustratie is. Niet serieus worden genomen, met in zijn ergste vorm discriminatie, zorgt voor een sterk gevoel van onrechtvaardigheid en juist dat onderwerp staat op de sociale agenda van jongeren. Om uit te vinden hoe dat werkt in een verstedelijkte samenleving, treden zij op verschillende manieren in het openbaar op om hun bestaansrecht op te eisen: met graffiti, luidruchtige aanwezigheid of provocerend gedrag markeren zij hun territorium.

 

Zij negeren de fysieke structuur van een speelplaats die lichamelijke beweging dicteert: hier zul je schommelen of van de glijbaan gaan. Ze negeren  de witte lijnen op de groene ondergrond, die vertellen dat je hier moet voetballen. Als we bedenken dat lichamelijke beweging niet bovenaan de sociale agenda van pubers staat, begrijpen we dat dit type speelplekken geen aantrekkingskracht uitoefent op pubers en adolescenten, behalve natuurlijk als er bankjes staan waar je met elkaar kunt rondhangen.

 

Vanuit het perspectief van de jeugd lijdt de stad aan een narcistische neurose, waarbij het libido zich terugtrekt in het Ego. Anders gezegd: de inrichting van speelplekken in de stad is zodanig dat er geen mogelijkheden meer zijn voor het libido van de jeugd om zich te manifesteren. Hoe erg is dit voor Rotterdam? Volgens Anna Freud (dochter van) zitten hier gevaren aan: ”verdringing beperkt de waarneming en is tegelijk het meest effectieve en gevaarlijke mechanisme: het kan de integratie van de persoonlijkheid verstoren” (1960).

 

Straats!

Pubers gaan, zoals jongeren van alle tijden hebben gedaan, rondhangen als tijdverdrijf. Zij leggen niet alleen de voorschriften van hun ouders naast zich neer, dat doen zij ook met de voorgeschreven regels in de publieke ruimte. In hun zoektocht naar de eigen identiteit tarten zij de identiteit van de stad … en stuiten zij op onbegrip en afwijzing. Het feit dat zij zonder direct toezicht vrij buiten kunnen experimenteren biedt hen mogelijkheden om meer te leren over zichzelf en hun talenten, over hun wereld en hun relatie tot die wereld. Onze stadsjeugd heeft behoefte aan verscheidenheid om te leren, behoefte aan vrijheid zodat zij ‘het volwassen zijn’ kunnen oefenen, oefeningen en observaties die bijdragen aan een beter begrip van de wereld. Juist deze vorm van niet gedefinieerd spelen verlevendigt het straatbeeld en draagt bij tot een levendige stad. Wanneer we jeugdigen toestaan alleen op de hen toegewezen plekken te vertoeven bevordert dit niet alleen de onveiligheid, het beperkt de jeugd ook tot armzalige, uniforme en gegeneraliseerde imitaties. De tijd en de energie die wordt gestopt in het ontwerpen van speelplaatsen kan beter worden gebruikt om gespecialiseerd spel te stimuleren (Jacobs, 1961). Het voorkomt de inzet van repressieve middelen zoals een samenscholingsverbod of cameratoezicht. Het is belangrijk dat jongeren betrokken blijven bij de stad en zich niet onttrekken aan de maatschappij, ook niet als zij zich liever terugtrekken in de anonimiteit.Laten we andere manieren zoeken om de stadsstraat te meubileren, manieren die onze jongeren uitnodigen de wereld om hen heen te ontdekken. Laten we de moed hebben om niets te plannen en jongeren de ruimte laten, in het besef dat zij de toekomst in handen hebben.

 

Geraadpleegde bronnen:

Walter Benjamin (2005) Selected writings: Part 1 1927-1930. Harvard University Press.

Anna Freud (1966) Het Ik en de Afweermechanismen. Uitgeverij Anbo

Jane Jacobs (1961) The Death and Life of Great American Cities. New York: Random House.

 

Rubriek MM

Marina Meeuwisse

Marina Meeuwisse combineert wetenschap en kunst. Vanuit wetenschappelijk oogpunt houdt zij zich bezig met perceptie, emotie, geheugen en fundamenteel onderzoek. Haar onderzoek focu...

Bekijk profiel