ROTTERDAM PSYCHO

12-11-2013 17:56

Door Stefan van Hoek

In stevig tempo loop ik naar het Groothandelsgebouw. Er lag post voor me op de mat, zag ik, voordat ik de deur uitging, een ansichtkaart. Ha post, dacht ik nog enigszins verheugd. Toen ik de kaart oppakte bleken mijn naam en adres niet geschreven, maar gedrukt te zijn. Ik draaide het kreng om en keek in de bakkes van Winston Gerstanodinges. “Mijnheer Van Hoek. Ik zie dat uw Bingo-kaart hier nog ligt. Zonde, want nu loopt u misschien 50.000 euro mis,” stond er in een tekstballon naast zijn eeuwig grijnzende kop.

   Nee, Winston, ik heb die vorige kaart verscheurd. Net als ik met deze ga doen. En je mag blij zijn dat ik mensen een knieschot geven met een stoeptegel in de knieholte, waardoor de kogel door de terugkaatsing het gewricht op zeker verbrijzelt, nogal een gedoe vind, want ik zou je komen opzoeken. In overdrachtelijke zin; de trein naar Hilversum nemen zou ik namelijk al een heel gedoe vinden. Hoewel het mediapark aldaar op zich een naam heeft hoog te houden, waar het misstanden recht breien betreft. Eigenlijk dus best een aantrekkelijk reisdoel.

    Enfin, ik kan Rotterdam CS vanavond sowieso rechts van me laten liggen, want ik ben op weg naar Ram Horna, de maandelijkse literaire talkshow op de bovenste verdieping van het Groothandelsgebouw. R. heeft me uitgenodigd. R., de detelkwijtste one night stand in mijn leven. R. was de laatste vrouw met wie ik een condoom gebruikte. Ondingen. En R. beet te hard op mijn tong tijdens het zoenen. R. was ook de laatste vrouw die ik niet terug in haar tong beet nadat ze in de mijne had gehapt. De laatste die me dat flikte ging huilend en uit haar mond bloedend naar huis. Genoeg was genoeg. R. leerde me ook dat met zijn tweeën proberen te slapen op een eenpersoonsmatras pas werkelijk een aberratie is. Niet te doen. Daar valt je geblinddoekt ondersteboven laten hangen met een plastic bal in je mond aan het rad van fortuin in de sm-kelder van die voormalig World Online-mevrouw bij in het niet.

    R. is de gewezen eigenares van een, inmiddels failliete, boekhandel op Zuid. Ze schreef me in haar e-mail dat ze nog altijd een fles wijn per dag drinkt. En dat ze jaloers is op de discipline van de dames van Boekhandel “Van Genep”, zoals zij de winkel flauw woordspelerig noemt. Die hebben het voor elkaar weten te krijgen de boekverkoop tijdens Ram Horna voor hun rekening te nemen. Zelf heeft R. zich er nooit toe kunnen zetten zich zo in de markt te werpen. “Ik ben er te bescheiden voor,” schreef ze in haar mail.

    Of je had op dat tijdstip al een fles wijn achter je huig geklokt, dacht ik onmiddellijk nadat ik het las.

    Hoe dan ook: een faillissement was het uiteindelijk gevolg.

 

Toch vind ik het erg attent van R. dat ze me heeft uitgenodigd. Het programma is veelbelovend. Er staat onder meer een interview met de nationaal dichter op de rol. De ex-moeder van Tonio is uitgenodigd. Daarnaast geeft de voorzitter van het Architectuur Film Festival Rotterdam acte de présence.

    Mijn opgefoktheid is verdwenen als ik de lift ben ingestapt. In de kleine ruimte sta ik samen met een lekkere, lange blonde hit, die in het gezelschap is van een of ander stuk brildragend masculien onderkruipsel.

    “In de tijd dat het Groothandelsgebouw werd neergezet, waren de liften nog niet al te ruim,” zeg ik tegen de blonde en vraag me af hoe ik toch altijd weer aan die briljante openingszinnen kom om juist niet duidelijk te maken dat ik met haar wil neuken. In de serie: 'laat ik eens om het even wat zeggen'.

 

Nadat ik uit de lift ben gestapt blijkt dat ik nog een trap op moet om op de bovenste etage te komen. Als ik eenmaal de zaal ben binnengelopen duurt het niet lang voordat R. me ziet. Ondanks haar inmiddels ietwat verder richting de honderd gevorderde leeftijd vind ik haar er nog lekker uitzien. Ze draagt een groene rok, boven groene, halflange laarzen. Groene netkousen leggen de verbinding tussen rok en schoeisel. Na de drie wangzoenen wisselen we de gebruikelijke plichtplegingen uit: 'programma de moeite waard', 'architectuur is toch jouw ding', 'mooie ruimte, zo helemaal op de bovenste etage'. De ex-moeder van Tonio benoem ik niet als zodanig. Ik noem haar gewoon wie ze is, het feminiem aanhangsel van die obesitas plofkipkop Pa Flodder-Tokkie, die de zoveelste literaire prijs heeft gewonnen met een boek over zijn nogal vroeg wieberen gegane zoon. Ook 'van netkousen word ik altijd bloedgeil', laat ik mijn lippen niet passeren. Tot en met de eerste liter gin ben ik namelijk altijd wat geremd, daarna kom ik pas los. Als de fysieke incapabiliteit bezit van me heeft genomen en het geen zin meer heeft. Vandaag heb ik nog helemaal niets gedronken. Evenals tig weken ervoor. Dus ik houd me nog wel even gedeisd.

 

Er zitten drie mensen op stoelen achter een tafel met microfoons. Ene Sytske Sötemann heeft het woord genomen. Ze bespreekt de nieuwe roman van Tom Lanoye. De entourage beklemt me. Wat ben ik hier in godsnaam komen doen? Luisteren naar besprekingen van boeken die ik toch nooit zal lezen. Altijd maar weer uit het Nederlands taalgebied, dat het met een kleine dertig miljoen die de taal beheersen toch werkelijk moet afleggen tegen het Engels. Zeg dat twee miljard mensen het Engels beheersen. Dan lijkt me toch dat de wet van de grote getallen opgaat en het waarschijnlijker is dat er zich tussen de topliteratuur uit het Engels taalgebied iets van mijn gading bevindt dan in het Nederlands. En ik lees sowieso nauwelijks meer, kom niet eens meer toe aan de latere boeken van mijn favoriete schrijver, Irvine Welsh. Ik lees voornamelijk stukjes op GeenStijl en reaguur op reaguursels. Vaak worden de mijne verwijderd. “Krijg toch de bloedkanker achter je hart en hetzelfde gewenst voor de zeventien volgende generaties van je familie in de eerste graad,” wordt zelfs op GeenStijl als stijlloos beschouwd. Denk je ook eens iets naar wens – want geen stijl – te berde te brengen.

   Terwijl de zaal begint te klappen omdat Sytske Sötemann haar bespreking heeft beëindigd, staat R. naast me op en vraagt of ik een ijsthee wil.

   “Ja, graag,” pleeg ik plicht en beschouw haar aanbod vooral als smoes om zelf nog een glas rode wijn achter haar huig te kunnen parkeren. Ze legt even haar hand op mijn schouder om steun te hebben bij het opstaan. Ik zie de gebruinde huid van haar benen, omspannen door het groene wybertjespatroon langs me gaan en bedenk me dat ik met mijn hand haar dij zou kunnen strelen. Zoals dat soort acties altijd door mijn hoofd schiet als ik nog een liter gin van spontaniteit ben verwijderd. Altijd alles slechts bij het concept houden. Afstandelijkheid, reserve en scepsis als leidmotieven.

 

Achter de tafel is het nu de beurt aan een vertaalster Tsjechisch-Nederlands, voormalig stadsdichter van Rotterdam en in het bezit van een dictie, waarvan ik zou kunnen beweren dat ik eraan moet wennen, maar waaraan ik me gewoon kapot erger. Als zij aan het woord is, slaan mijn hersenen dicht, zoals ze dichtslaan tijdens het lezen van post van de Belastingdienst; ik neem nog waar, maar mijn IQ is gezakt tot 40 en mijn hersenen zijn niet meer in staat enige betekenis te ontlenen aan wat mijn zintuigen tot zich krijgen. Dat mens leeft nu al drie eeuwen in Nederland en nóg slaagt ze er niet in accentloos te spreken, zoveel kan ik nog wél onderscheiden. Onderscheiden dat ik haar tijdens een schamel aantal korte dialogen die ik met haar voerde een vriendelijk mens vond, kan ik als zij te lang ononderbroken aan het woord is al lang niet meer.

 

Ik pak het glas ijsthee uit de hand van R. en bedenk me dat ik mijn hand gewoon op haar stoel kan laten rusten als zij gaat zitten. Dus leg ik mijn hand in mijn schoot. Dat soort mogelijkheden blijft bij mij altijd hangen in fictie.

   Kennelijk is het pauze. Ik zet het glas ijsthee naast mijn stoel en sta op. Ik moet roken, anders krijg ik straks van de weeromstuit nog longen.

   “Een peuk paffen moet ik zeker beneden doen?” veronderstel ik hardop. R. antwoordt ontkennend. Ze wijst naar de glazen deuren achter ons. Ik kan op het dakterras terecht.

   Buiten loop ik naar de noordelijke kant van het terras. Vanaf hier genomen foto's ben ik op het wereldwijde web bij mijn weten niet tegengekomen. De enige zichtbare hoogbouw van dat zogenoemde Manhattan aan de Maas staat in de verte en is die van het Sint Clara ziekenhuis, pal achter de noordelijke ring. Dichterbij zie ik eindelijk in werkelijkheid het gigantische oppervlak van het dak boven de perrons van Rotterdam CS.

 

Na de pauze blijkt dat de lange blonde hit met wie ik in de lift stond de nationaal dichter is. Ze gaat er prat op dat ze 'nationaal dichteres' wil worden genoemd; niet 'nationaal dichter'. De reden waarom verneem ik niet, omdat de ergernis over haar poeha al bezit van mijn brein heeft genomen; mijn hersenen zijn dus niet meer in staat taal in betekenis om te zetten.

   Ze heeft het voortdurend over 'Ramzi'. Ramzi dit, Ramzi dat, Ramzi zus, Ramzi zo. De enige Ramzi die voor mijn geestesoog verschijnt is Adil Ramzi, een voetballer die ooit bij Willem II begon en daar furore maakte. Later speelde Ramzi nog voor Ajax, PSV, AC Milan, Juventus, Real Madrid, Barcelona en Manchester United.

   “Ramzi vertelde me dat je er in je functie voor moet oppassen dat je niet overal een gedicht in gaat zien,” zegt de nationaal dichteres op een zeker moment. Pas dan schiet het me te binnen dat ze het over Ramsi Nasr heeft, een of andere shit-Egyptenaar, die om onverklaarbare reden uitverkoren is geweest nationaal dichter van Nederland te worden in plaats van manhaftig te sterven tijdens een demonstratie op het Tahrirplein.

   De nationaal dichteres lult ook nog het een en ander over het feit dat ze een gedicht moest schrijven naar aanleiding van de troonswisseling. Zal niks over appelwangen en genetica zijn geweest, bedenk ik me. En ook niks over de veronderstelde tweeëneenhalf miljard euro aan aandelen Koninklijke Shell, die het Koningshuis in het bezit zou hebben, maar via slinkse administratieve trucs volgens de wet niet in het bezit heeft.

   'Oppassen dat je niet overal een gedicht in gaat zien,' blijft het door mijn hoofd spoken. Ik moet aan het gedicht 'Ik ben de maker...' van Hans Verhagen, uit de bundel 'Autoriteit van de emotie' denken. Als we het toch over dichters hebben. 'Totaal ter beschikking van wat zich tot mij richt...' is een belangrijke zinsnede uit dat poëem. Het lijkt me dat een dichter vierentwintig uur per dag dichter is. De muze kan zich altijd tot hem of – in het geval van de dichteres – haar wenden. En dan dient de dichter(es) zo gedisciplineerd te zijn dat hij of zij met de ter beschikking gestelde ingeving aan de gang gaat. Zo niet in het geval van deze nationaal dichteres. Die heeft kennelijk een erebaantje toegeschoven gekregen. Een erebaantje dat al te kritische standpunten in de kiem smoort, heb ik het vermoeden. Ze geeft in ieder geval aan dat ze haar tijd over diverse functies in haar leven te verdelen heeft. Lijkt me eerder iets voor een manager logistiek.

 

Na de nationaal dichteres is het de beurt aan de ex-moeder van Tonio om te worden geïnterviewd. Ook zij gaat, net als R., voor haar leeftijd in nogal korte rok gehuld door het literaire leven. Wat is dat toch met die letterkundigica? Te lang in eenzaamheid achter scherm en toetsenbord vertoefd en eenmaal in de openbaarheid geneigd tot het veil geven van fysieke intimiteiten. Zet een breezer in plaats van een glas rode wijn voor haar op tafel en ze krijgt...nou ja, ineens een jeugdiger, niet bepaald vleiender uitstraling.

   Voor haar leeftijd toch alleszins nog een lekker ding, die ex-moeder van Tonio. Ik kan me niet voorstellen dat ze ooit onder die PC Hooftprijswinnende Pa Flodder-Tokkie-plofkipkop-sumoworstelaarachtige heeft gelegen. Daar is ze te fragiel voor. Tonio moet destijds door kunstmatige inseminatie tot wasdom zijn gekomen. De ex-vader van Tonio moet een geweldige compensatiebeffer zijn. Anders zou die hit het nooit zo lang met hem hebben uitgehouden. En kennelijk nog steeds uithouden. Moet ie trouwens tijdens de cunnilingus wel die eeuwige pijp van 'm uit zijn muil doen. Waanzin, die gast. Ziet er uit als Barbapapa in zijn grootste formaat amorfosaurus en altijd die pijp in zijn porem. Ik heb ooit één boek van hem gelezen, uit die cyclus Vals gebit. De ontdekking van de hemel heette dat boek. Een roman zo lijvig als de auteur zelf. Vrij autobiografisch, meen ik me te herinneren. Tot het moment dat ie op die rots zijn vrouw wil gaan beffen en juist als hij zijn pijp opzij legt door een meteoriet wordt getroffen. Compleet fucking ongeloofwaardig. Net zo irreëel als dat ik de hoofdprijs in de Winston Gerstanodinges-bingo zou winnen.

   Ik heb na die meteoriet geen bladzijde meer verder gelezen in die pil. Dat boek gelijk op Marktplaats gezet, met de belofte dat ik vijfentwintig euro zou overmaken op de rekening van degene die me zou verlossen van die onzin.

 

Ondanks mijn aversie tegen de Tonio-clan slaag ik erin me te concentreren op het interview met de ex-moeder. Hoe langer het duurt, hoe meer waardering ik voor haar krijg. Dat wijf straalt kracht uit.

   Langzamerhand raak ik meer ontroerd door haar relaas dan dat haar decolleté of de gedachte aan de door mij een moment gesuggereerde sliploosheid onder haar te korte rok me opwinden. Ze weet zakelijk te vertellen hoe wezenloos ze tijdens het rouwproces is geweest. Een moeder die haar kind verloren heeft. Nou vind ik mensen die kinderen nemen vrij debiel. Als kinderen eenmaal op de wereld zijn, moet het zo goed mogelijk met ze gaan. Ze hebben er ook niet om gevraagd. Totdat ze zichzelf schuldig maken aan het doorgeven van het leven. Dan zijn het even grote teringlijers als hun ouders.

   Ik denk aan mijn eigen moeder en vraag me af of zij net zo zakelijk over mijn dood zou kunnen spreken als ik zou besluiten het dakterras van het Groothandelsgebouw terug op te lopen, over het lage hekwerk zou stappen en vanaf de dakrand een enkeltje stationsplein zou nemen. Ik vermoed dat mijn moeder eigenlijk nog veel zakelijker over mijn dood zou praten. Die Tonio werd getroffen door een bepaald niet zelf verkozen lot. Werd de tyfus gereden door een automobilist, of een vrachtwagenchauffeur. In mijn geval zou ik zelf voor de oplossing voor alles hebben gekozen. Gewoon, mooi geweest – nou ja,mooi? – punt erachter. Bovendien heb ik sowieso al jaren geen contact meer met mijn ouwelui, sinds ik ooit tijdens een vakantie op hun huis had gepast en als welkomstgroet twee gebruikte heroïnespuiten in hun sponde achterliet. Eerlijk verdeeld, onder elk hoofdkussen één.

 

Ik merk dat het verhaal van Tonio's ex-moeder aanstalten maakt me naar de keel te grijpen. Ik heb al jaren geen zin meer in emoties en probeer me te focussen op morgenochtend vroeg. Dan kan ik weer een shot gaan zetten bij de vrije verstrekking. Ik zou nu ook volop aan de alcohol kunnen gaan, maar dan weet ik ongeveer zeker dat ik morgen met een kater wakker word. Durf ik de straat nauwelijks op, tenzij ik er straks nog voor zorg zes halve liters bier bij de avondwinkel in te slaan. Kan ik morgenochtend de rafelranden van mijn kater af zuipen en me in een alcoholroes mijn bruin toedienen.

   R. fluistert in mijn oor dat ze naar het toilet moet en vraagt of ik nog een ijsthee wil als ze straks terug is. Ik knik werktuiglijk, maar zie in gedachten slechts de punt van de naald mijn arm in priemen. Ze staat op en ik kijk haar na. Ze loopt voor de bar en de boekenstand langs, een brede gang in, richting het hart van het Groothandelsgebouw. Als ze uit mijn blikveld is, sta ik ook op en wandel naar de bar. Daar bestel ik twee dubbele whisky. Het is mooi geweest met de alcoholloosheid. Met de twee glazen loop ik, de deuren met mijn schouder openend, het dakterras op, naar de noordzijde, waar ik me uit het zicht van elke deze of gene weet. Zo snel als het gaat, sla ik de twee dubbele whisky achterover. Ik schud even mijn hoofd om misselijkheid en een eventuele braakneiging te pareren. Warmte vult mijn maag. Ik haal mijn mobiel uit mijn jaszak en kijk hoe laat het is. Nu moet ik drie minuten wachten voordat de alcohol zijn werk gaat doen, heb ik weleens op internet gelezen. Dat is wel een kicken eigenschap van de booze; je weet waar je aan toe bent. Ook een voordeel van onder toezicht verstrekte smack: je komt niet ineens voor verrassingen te staan. Zoals ik ooit eens wel had en bijna in een shot bleef toen ik bij een mij onbekende dealer veel zuiverder bruin had gescoord dan ik gewend was. Vonden ze me na sluitingstijd liggend in mijn kots op de wc van een vermaard journalistencafé. Hebben ze me met een ambulance af laten voeren.

   Weer binnen zie ik R. nog niet. Ik bestel nog een dubbele whisky. Met het glas in mijn hand loop ik de brede gang in. Er bevindt zich hier verder niemand, dus ik kan vrijelijk klokken. Halverwege heb ik het glas al leeg en zet het in de vensterbank. Aan het eind van de gang beland ik in een donkere hal. Het kost me even moeite de toiletten te lokaliseren, maar dan zie ik een deur opengaan. Doordat het licht achter haar nog brandt, herken ik R. aan haar contouren. Ik glimlach haar vriendelijk toe en loop op haar af. Ze lacht terug, zie ik als ze instinctief een stap naar achteren heeft gezet en in het licht staat. Met dezelfde rustige tred als ik op haar ben afgelopen, duw ik haar verder terug de toiletruimte in. Als de lachende uitdrukking op haar gezicht via verbazing is veranderd in weerzin, heb ik haar klem tegen de muur staan en druk ik mijn mond op de hare. Ze probeert haar lippen opeen te houden. Ik voel met mijn hand onder haar rok. Ze doet een poging haar been over het ander te slaan om me toegang te weigeren. Langs de muur duw ik haar in de richting van een toilet. Als ik de deur achter ons op slot heb gedaan, beantwoordt ze mijn zoen ineens gepassioneerd. En weer bijt ze op mijn tong. Daarna wentelen onze tongen om elkaar. Totdat ik het puntje van de hare tussen mijn voortanden heb. Ik bijt zo hard mogelijk. De verrassende taaiheid van het vlees doet me denken aan mijn kindertijd. Toen ik met een zelfgemaakte val waterhoenen ving. Door een spade op hun dunne nekjes te zetten, maakte ik ze dan af. Niet om ze uit hun lijden te verlossen, maar omdat hun domme gespartel me irriteerde. De eerste keer verbaasde ik me over de geweldige weerstand die zo'n op het oog fragiel nekje bood. Al snel werd het routine, een kwestie van geduldig door blijven duwen.

   Het gespartel van R. irriteert me nu ook. Mateloos. Met één hand lukt het me om haar beide armen achter haar rug geklemd te houden. Ik heb mijn onderlichaam een kwartslag gedraaid en duw daarmee het hare tegen de muur om te zorgen dat ze me geen knietje kan geven. Dan voel ik hoe het puntje van haar tong het als de nek van een waterhoen begeeft.

   Even vrees ik dat ze me onder het bloed zal rochelen, maar kennelijk is ze verlamd door de schok en de pijn. De hulpeloze blik in haar ogen is schitterend. Toch gun ik me maar weinig tijd ervan te genieten. Ik moet hier weg zien te komen zonder gerucht. Met mijn vrije hand knijp ik met mijn duim achter haar ene en met mijn middelvinger achter haar andere oor. Al snel knikken haar knieën en sluit ze haar ogen. Die is even van de wereld, denk ik tevreden. Met mijn duim en middelvinger nog achter haar oren, geleid ik haar via de muur naar de vloer. Als haar hoofd bijna de tegels raakt, draai ik haar zo dat het schuin achter de toiletpot komt te liggen. Ik keer me om en duw haar benen met mijn voet opzij. Voorzichtig doe ik de toiletdeur op een kier; er is niemand binnengekomen.

   In de spiegel zie ik dat er bloed via mijn lippen en mondhoeken over mijn kin loopt. Ik spuug het puntje van haar tong in mijn handpalm en gooi het in de afvalbak. Wat moet ik er anders mee doen? Het opeten? Ik ben niet ziek, geen kannibaal of zo. Snel was ik het bloed van mijn gezicht en droog me af. Dan ga ik de volgende deur door, de gang weer in.

 

In de zaal klinkt applaus. Kennelijk is het interview met de ex-moeder van Tonio ten einde. De groeten aan de Amsterdamse inteelteratuur, denk ik, terwijl ik de kortste weg richting uitgang neem, voor het podium langs. Ik besluit niet de lift af te wachten, maar helemaal met de trap naar beneden te gaan

   Waanzinnig, dat Groothandelsgebouw. Een majestueus trappenhuis. Schitterend, die ruimtelijkheid. Een geweldige erfenis van die stedenbouwkundige ingreep van de moffen in 1940. Die hadden de boel dermate plat gepleurd dat deze kolos er al acht jaar na de Tweede Wereldoorlog stond.

 

Zo. Dat was me het literair avondje wel. Eenmaal buiten sla ik rechtsaf. Ik ga eens op huis aan.

   Op het Kruisplein lopen twee duidelijk aangeschoten Feyenoord-supporters me tegemoet. Ga niet de hooligan tegen mij uithangen, stelletje Winston Gerstanodingesen in het diepst van jullie gedachten, denk ik opgefokt. Vergis je niet. Ik mag nu dan in mijn cultureel avondje-outfit lopen. Ik verbrijzelde al voorruiten van ME-busjes toen jullie nog geen glinstering in de ogen van je vader waren.

   De gedachte dat ik vergeten ben die bingokaart te verscheuren en dat die dus nog op de trap op me ligt te wachten, maakt me pislink.

   "Weet je wat Feyenoord gedaan heb?" vraagt een van de gasten.

   "Nee," antwoord ik neutraal. Ondanks mijn chagrijn ben ik eigenlijk best benieuwd.

   "3-0 gewonnen, van Dordrecht. Dat zijn de schapenkoppen, hahaha, de schapenkoppen."

   Ik loop verder. Bedankt voor de informatie, maar lach niet zo debiel. De bijnaam van Dordrecht luidt nu eenmaal 'Schapenkoppen'. Lijkt me niks aan te lachen. Is een droog feit.

 

Op het Eendrachtsplein komt er een of andere gozer, een vagelijk bekende ouwehoerhobbyist op me af en vraagt of hij iets voor me mag rappen.

   “Op je kamer bij het Leger des Heils mag je aan me denken en zoveel rappen als je wilt,” antwoord ik en loop door zonder hem verder aan te kijken. Ik kom die gozer wat te vaak tegen. Vijf minuten na zijn eerste vraag herkent hij je niet meer en vraagt nogmaals hetzelfde. Ik merk dat hij in dezelfde richting als ik gaat lopen. Achter me hoor ik hoe iedereen hem nul op het rekest geeft, maar opvallend genoeg niemand uit zijn ster gaat. Iedereen blijft vriendelijk. Het 'nee, wij doen niet aan Sinterklaas' van een bijdehand uitgaansmeisje weet zowaar nog een zweem van glimlach op mijn gezicht tevoorschijn te krijgen. Relaxte stad, Rotterdam. Heb ik altijd al gevonden.

 

Het tweede voetgangerslicht springt op rood. Ik moet blijven staan op de middenberm van de Westblaak, draai me een kwartslag en zie dat de rapper me weer dreigt in te halen. Als het licht op groen springt, neem ik direct grote stappen om hem voor te blijven. Ik meen hem te horen versnellen. Waag het niet, gozer, waag het niet. Ik haal mijn sleutelbos uit mijn broekzak. Het is even pielen, maar dan is het me gelukt: de langste sleutel priemt dun en scherp tussen mijn middel- en ringvinger uit. Ik verstrak mijn greep om de bos.

   Als ik toch van hem verlost denk te zijn, bestijg ik de vier treden naar mijn voordeur.

   Meneer, mag ik iets voor u rappen of dichten?” hoor ik dan achter me.

   Vandaag zeg ik niet dat het al de tweede keer is dat hij het me vraagt. Ik draai me om, sla alle treden over, sta direct voor hem en haal uit. De sleutel boort zich in zijn oog. Ik moet kracht zetten om de bos terug te trekken. Kermend zakt hij voorover en komt even op zijn knieën voor me te zitten, alsof hij me devoot aanbidt. Het bloedt gutst uit zijn ene oog; er hangt een lange draad bindweefsel uit. Met het andere oog kijkt hij me vol onbegrip aan. Dan schop ik hem keihard tegen de zijkant van zijn hoofd. Hij valt om. Ik hoor zijn schedel met een harde tik op het trottoir terechtkomen. Hij kreunt zacht.

   Daar ligt weer een Tonio, een kind van zijn moeder.

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel