IN MEMORIAM RUUT RAMSEIER

23-12-2015 18:39

Door Stefan van Hoek

“Het is een herfstachtige winteravond of een winterse herfstavond in 2004. Niet veel maanden voordat Ruut Bierzaaierd zijn entree als barman in café De Schouw zal maken, kondigt hij zijn opwachting reeds aan. Op het grote scherm wordt duidelijk dat Feyenoord het in de Europa Cup niet gaat bolwerken tegen het clubje Teplice uit een of andere achterlijke Tsjechische provincie. De toekomstig barman geeft luidkeels te kennen Teplice wel te zien zitten. Wie het niet met hem eens is, noodt hij hem dan maar omver te kegelen. Voorkomend als ik ben, geef ik Ruut Bierzaaierd een ram. Die komt nauwelijks aan; hij grijpt mijn arm beet. Aldra doen wij een innige horizontale dans over de kroegvloer, onderwijl trachtend malkanders ledematen af te bijten. Na een twintigtal seconden grijpt bardame W. in. Wij staan op, vermannen ons, trekken de kledij recht, maken uitgebreid wederzijds excuses en ik bied Ruut Ramzaaierd een bier aan. Niet lang erna retourneert hij mijn geste. Na over en weer nog wat gevulde kelken te hebben uitgewisseld geeft bardame W. mij te kennen dat ik het pand nu toch echt moet verlaten. Ik mag mij dan met de heer Ramzaaierd hebben verzoend, ik blijf de agressor. En als die dan wellicht geen straf verdient, heeft hij inmiddels wel zo veel in zijn mik dat het inruktijd is. In de wetenschap dat wie ram zaaide, bier heeft geoogst, reken ik zonder morren af. Klagen geeft hier immers geen pas. Want in de Witte de Withstraat komen alleen nette mensen.”

Zo eindigde mijn verhaal 'Nette mensen', dat in 2006 in de bundel 'Witte de With So Cool' werd gepubliceerd. Het is een vrije, maar toch redelijk adequate beschrijving van mijn eerste kennismaking met Ruut Ramseier. Vandaag is Ruut ten grave gedragen, nadat hij een heel ander soort robbertje vechten dan hierboven vermeld, heeft verloren. Gelukkig is hij onder grote belangstelling begraven. Die kwam hem toe. Al was Ruut er ook de persoon naar om zo nu en dan van te vinden dat hem geen enkele belangstelling toekwam. Soms haalde hij het bloed onder mijn nagels vandaan met in mijn optiek veel te bevoogdend gedrag. Dan was ik van mening dat hij in zijn Exitjongerenwerkersmodus was blijven hangen. Ik bedoel: je hoeft mij echt niet te vertellen wanneer ik teveel heb gedronken, dat weet ik zelf ook wel. Maar dan wil ik gewoon nog meer drinken en niet voor het voldongen feit van 'dat was je laatste' worden geplaatst. Daarnaast had Ruut sowieso zijn buien tijdens welke het leek of hij de eigenschap 'haantje de voorste' persoonlijk had uitgevonden

Sinds ik wist dat hij kanker had, stelde ik me zeker milder jegens hem op. Al zag ik hem niet vaak meer, omdat ik nog zelden in de Witte de Withstraat kwam. Wel weet ik dat ik het bijzonder knap van hem vond dat hij ondanks zijn ziekte zijn bardiensten in De Schouw zo lang wist vol te houden. Voorafgaand aan een van zijn laatste diensten trof ik hem nog op het terras van café Timmer, waar hij in straf tempo een aantal van zijn eigen soort glaasjes fris wegwerkte. Op een dermate gezwinde draf dat ik bijna beweerd zou hebben dat hij nog geen spat veranderd was, cq. dat hem medisch niets kon mankeren.

Niet lang daarvoor had ik hem nog eens uitgenodigd mee te gaan naar Sparta, zijn club, waarvoor ik van mijn kapper Herman London Line twee entreebewijzen had gekregen. Ruut waardeerde mijn geste, maar moest zich excuseren, omdat hij had afgesproken die avond te helpen op – als ik het goed heb onthouden – een familiefeest van Odette Karsdorp. Op zich jammer. Ik slikte in die periode Refusal, een middel dat ervoor zorgt dat je van alcoholgebruik stevig ziek kunt worden. Eerder op de avond was ik bij kapper Herman London Line net op tijd weggedoken toen hij mijn nieuwe coiffure in de alcoholhoudende lotion wilde zetten. Direct na binnenkomst op Spangen scoorde Sparta al in de eerste minuut 1-0, hetgeen mij op een bierstortbad kwam te staan. Vrij hilarisch, voor iedereen behalve mijzelf. Ik weet niet wat Ruut leuker zou hebben gevonden: de 1-0 van Sparta of mijn gehavende kapsel. Ik vermoed dat zijn vreugde en lol er ongeveer dubbel zo groot op zouden zijn geworden.

Vandaag ben ik bij de uitvaart van Ruut niet slechts getroffen door de massale opkomst van rouwenden, maar ook door de verhalen van de hem nabijen. Het is mij sowieso altijd een raadsel hoe mensen het kunnen opbrengen rouwend en staand iets zinnigs voor publiek te berde te brengen. De anekdote van Ruuts zus Anna was zowel grappig als ontroerend als knap ingehouden gebracht. Ruut had nooit veel contact met zijn familieleden gehad en toen hij wist dat zijn einde eraan zat te komen en er wél sprake van veelvuldig contact was, drong de familieliefde kennelijk tot hem door. Ruutiaans had hij gemeld 'dat hij veel eerder kanker had moeten krijgen'.

Indrukwekkend was ook het muzikale optreden van Ruuts goede vriend Pierre van Duyl en de Dopegezinde Gemeente. Ik ben helemaal niet zo'n liefhebber van deze soort muziek, maar tijdens begrafenissen overheerst bij mij slechts ontroering. En bewondering voor mensen die er in slagen tijdens dit soort situaties met een verhaal, gedicht of muziek voor het voetlicht te komen in plaats van – wat mij veel logischer lijkt – flauw te vallen. Daarnaast weet ik van Margot Koedam hoe opofferingsgezind Pierre van Duyl zich heeft opgesteld tijdens Ruuts laatste periode. Heel veel hulde voor die man. Mijn bewondering geldt ook de vertolking van Fisherman's Blues van The Waterboys door Ruuts neef Max, die volgens eigen zeggen niet zo veel ervaring met gitaarspelen had en direct deed of er juist van het tegendeel sprake was.

De tekst van Jules Deelders gedicht kwam niet zo goed bij me door. Was het Deelders ontroering waardoor hij wat minder bij stem was of lag het gewoon aan het feit dat ik geheel achterin de zaal stond? Doet er niet toe. Hij besloot met het hem kenmerkend onderkoelde (en pak me niet op het letterlijk citaat): 'Ruut, maak je geen zorgen. We komen eraan. Is het niet vandaag, dan is het wel morgen.' en kreeg – terecht – zowel de lachers als applaus op zijn hand. Het slotwoord was aan Ruuts vriendin Yvonne Ehbel. Ik kende haar slechts van gezicht en wat woorden in het voorbijgaan. Ik wist niet dat ze sinds de middelbare school bevriend waren geweest. Ze deelden beiden al lang een voorkeur voor The Beatles. Yvonne liet als hommage aan haar grote vriend het door Paul McCartney vertolkte Blackbird horen.

Blackbird singing in the dead of night
Take these broken wings and learn to fly
All your life
You were only waiting for this moment to arise.

Blackbird singing in the dead of night
Take these sunken eyes and learn to see
All your life
You were only waiting for this moment to be free.

Daarna vertrok de hele stoet achter de kist aan, waar Ruut in de bodem werd gelaten. Eigenlijk weinig verbazingwekkend dat het graf van haantje de voorste pal bij de ingang van de toch werkelijk ruim bemeten Zuiderbegraafplaats is gesitueerd. En Ruut, mocht je je op enige wijze nog bewust zijn van je huidige locatie, dan heb ik goed nieuws: zelfs op feestdagen is de begraafplaats geopend. Nog wat van je typische eigen soort glaasjes fris zouden je gegund zijn. Trouwens, daar hoeven het niet eens speciaal feestdagen voor te zijn.

(Nu ik dit heb geschreven moet ik ook denken aan een andere barman die ons enige tijd geleden – zoals men dat wel noemt – ontviel, Hans Holtrop van café Will'ns & Wetens. Ik moet oppassen me niet schuldig te voelen dat ik niet bij zijn uitvaart aanwezig ben geweest, noch een in memoriam voor hem heb geschreven. Ik was in die periode gewoon wat minder fit. Maar mijn als eerbetoon bedoelde tekst geldt in wezen net zo goed Ruut als Hans. En als hart onder de riem voor allen die hen lief waren.)

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel