Thuis in Rotterdam

27-2-2018 12:28

Door Gastauteur

Preek over globalisme, gemeenteraadsverkiezingen en identiteitspolitiek, uitgesproken door dominee Bernard van Verschuer op 18 februari in de Laurenskerk

Een regenboog is een optisch verschijnsel dat optreedt als de laagstaande zon tegen een nevel van waterdruppels schijnt. Ik weet niet of het door mijn religieuze inborst komt, maar ik heb herinneringen aan het zien van een regenboog op momenten in mijn leven die me zijn bijgebleven.

In het bijbelboek Genesis wordt de herkomst van de regenboog verklaard: nadat Noach met zijn familie en de dieren uit de ark waren gegaan, toen de aarde weer droog was, sloot God een verbond met hem. Met hem, met zijn nakomelingen, met alle levende wezens, met alle dieren, vogels, vee en wilde dieren, alle dieren op aarde. Een verbond waaraan een belofte verbonden was: nooit meer zal alles wat leeft door het water worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen. Alsof Hij, God, achteraf bittere spijt had van de bijna complete verwoesting van alle leven op de aarde. Het steeds terugkomende woord in het verhaal is: verbond. Er wordt opnieuw een verbond gesloten en de regenboog is daarvan het teken.

Een schoolbestuur dat een nog meer prikkelarme naam voor z’n basisschool verzint dan Klim Op, wil nog wel eens bij Regenboogschool uitkomen. Een gewaagde verwijzing naar een bijbelverhaal, maar alle kinderen van alle kleuren en hun ouders kunnen zich aangesproken voelen. De vlag van de lbgtq’ers heeft een regenboog als symbool, de Rainbow Warrior is de naam van een schip waar Greenpeace actie mee voert.

Maar het idee van het verbond dat eeuwig staat, over het behoud van de aarde, van mensen, dieren en al wat op aarde leeft, ik vraag me af welke zekerheid wij daar aan zouden kunnen ontlenen. Want de aarde is een tamelijk onzekere factor geworden. Een merkwaardig teken daarvan is het voornemen van mensen, zoals de Amerikaanse miljardair Elon Musk, om ruimteschepen te bouwen waarmee planeten ontdekt moeten worden waarheen mensen kunnen verhuizen als de aarde niet langer een leefbare plek is. Musk is mogelijk eem geniaal mens en ik ben het zeker niet, maar mij ontgaat ten enenmale de redelijkheid van die plannen. Als je geld en moeite wil stoppen in een leefbare wereld doe het dan in godsnaam hier en niet een paar honderd lichtjaren verderop. Dit is ons thuis, onze wereld, deze overgelijkbaar wonderschone blauwe planeet, waarvan, weet ik bijna zeker, in het hele heelal geen tweede te vinden is. Een woonplek is niet een willekeurige plek om te wonen. Een woonplek is een thuis. En dan maakt het niet perse heel veel uit of dat thuis in Rotterdam is, of in Australië of in het Rif gebergte, zolang er dezelfde hemel is, en de zon, de geuren en de geluiden en de mensen om je heen.

Noach, vertelt Genesis even verderop, was landbouwer. Hij legde als eerste een wijngaard aan. Kijk, hij heeft het begrepen. Er is de al oude science fiction film E.T., over een buitenaards wezen. Ik heb de film nooit gezien, maar herinner me dat het publiek de ogen niet droog houdt als in de film het wezen E.T. het woord “home”, thuis uitspreekt. Die heeft het dus ook begrepen.

Nu vraag ik me af of dat verhaal van Noach en de ark en het verbond en de belofte van God niet vooral daarmee te maken heeft. Niet macro maar micro, niet de wereld maar thuis. En dan niet thuis als de huiskamer met flat screen TV en de sanseveria in de vensterbank, maar thuis als mogelijkheid om te bestaan, als een vorm van veiligheid en geborgenheid. En het tegendeel daarvan dat onmiddellijk ook opkomt: dat het net zo goed niet zo is. Dat de aarde niet een zekere plek is en dat de bijbel evengoed vol is met verwijzingen naar die realiteit: wij hebben hier geen blijvende woonstede, de zoon des mensen heeft geen steen om het hoofd op neer te leggen, de mens is een vreemdeling op aarde, en zo zijn er nog meer.

Het thema van het Oude Testament en op een andere manier het Nieuwe Testament ook is dat thuis niet vanzelfsprekend thuis is, de aarde geen veilige plek, de mens voortdurend onderweg naar iets, het mensenbestaan fundamenteel onzeker. Daar nu krijgt de gedachte van een verbond, van die belofte opeens wel betekenis.

Het is eigen aan de mens dat hij niet weet hoe daar mee om te gaan. Hij is behept met, bezeten met de gedachte dat hij een plaats moet hebben, hij wil zekerheid in een fundamenteel onzeker bestaan. Daarbij is er een schijnbare tegenstrijdigheid tussen wat in de bijbel gezegd wordt en hoe je geneigd bent het te verstaan: een mens wil zekerheid die er niet is. Een god die zekerheid in de aanbieding heeft, bij die god moet je zijn. Terwijl het gaat om een andere zekerheid, een zekerheid die er alleen kan zijn als de onzekerheid van het menselijk leven onder ogen wordt gezien en aanvaard.

De verbinding tussen het verhaal van de belofte in Genesis en de paar verzen uit het eerste hoofdstuk van Marcus over Jezus kan ik alleen zo begrijpen. Marcus begint zijn evangelie anders dan Lucas, die breed uitpakt met de zwangerschap van Maria, de stal in Bethlehem, en ook anders dan Mattheus en Johannes. Jezus is bij Marcus aan het begin al een volwassen man. Hij zoekt Johannes de Doper op in de woestijn en laat zich door hem dopen. Op het moment dat Jezus uit het water omhoog kwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel: jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde.

Nu is er geen mens, of hij enig geloof hecht aan de mogelijkheid van een stem uit de hemel of niet, aan de mogelijkheid van uit de hemel neerdalende Geesten of niet, die niet hier iets in kan herkennen. Want het heeft te maken met de essentie van bestaan, van thuis zijn in het leven. Dat er een vader of moeder is die op de een of andere manier aan z’n kind te kennen geeft: je bent mijn geliefde kind. Je hoeft geen psycholoog te zijn om te weten dat dit weten een mens grond onder z’n voeten geeft, de voorwaarde is om thuis te zijn in zijn leven, in het bestaan.  En dan komt het: onmiddellijk, meteen daarna, stootte de Geest hem, Jezus de woestijn in. Alsof de Geest een sadist is. Alsof er een moeder is die haar kind op schoot neemt en liefkoost en zegt ‘ik blijf altijd bij je’ en het volgende ogenblik haar kind van zich afstoot: ‘opsodemieteren, weg, uit mijn gezicht!’

Marcus vertelt dat Jezus in de woestijn was, veertig dagen, en door Satan op de proef gesteld werd. Punt. Dat is niet veel, dat is veel minder dan wat Mattheus en Lukas vertellen over gesprekken, over wat de duivel hem voorhoudt. Maar minstens zo sterk. Want in zijn hoofd klonken stemmen door elkaar heen.  “Je bent mijn geliefde kind” echode na, en de zekerheid die dat geeft en de onzekerheid die gewaagd moet worden, die er is, die onder ogen gezien wil worden, aanvaard. De grote aandrang om het leven alleen te vullen met bevestiging van zekerheden. Om het leven daaraan te wijden. Als Jezus na veertig dagen in de bewoonde wereld terug gaat verkondigt hij het goede nieuws van God. De tijd is aangebroken, het koninkrijk is nabij. Zo versta ik: maak je vrij voor iets nieuws, laat je zekerheden achter je. Ga met mij mee.

Met de komende gemeenteraadsverkiezingen roeren zich ook in onze stad de partijen, oude en nieuwe. De onderwerpen zijn de economie, de huisvesting, de kloof tussen de kansarmen en de geslaagde Rotterdammers. Maar het lijkt dat het vooral gaat om zekerheid, om veiligheid, om thuis en om de vraag wat dat is: bij ons thuis.

Immigratie en integratie, samenleven van verschillende mensen is ook een thema, en te belangrijk om het door sommmige partijen te laten kapen. Maar de kern van alles is: thuis. We zijn verslaafd aan zekerheden. Dat is niet nieuw, dat is van alle tijden. Maar omdat er zoveel zekerheden zijn: materiële voorspoed, een te bewaren levensstandaard, gezondheidszorg, en omdat tegelijk alles beweegt lijkt het alsof het allemaal op losse schroeven staat. Lijkt het alsof het geen zekerheid is, alsof er geen zekerheid bestaat en in wezen bestaat die ook niet. We hebben onszelf alleen wijsgemaakt dat er zekerheid moet zijn, dat je alleen kunt leven met gegarandeerde zekerheid, want anders word je gek. En dan is het voor de hand liggend om een ander als bedreiging te zien, die je zekerheid verstoort: Europa, de regering, een andere groep Rotterdammers, immigranten, rijke stinkerds of arme uitvreters, tot aan je buurman toe.

Kunnen leven is, volgens het evangelie, het zonder iets kunnen stellen waarvan je dacht dat het onontbeerlijk was. Het is onzekerheid onder ogen zien, en als je dat kunt de vrijheid proeven. Een vreemde variatie van thuis zijn is hier in de kerk zijn. Dit is niet ons thuis, we gaan zo naar huis. Maar thuis is dit, omdat hier een oude zekerheid kan worden ingewisseld voor geloof. Omdat de andere vreemden in de kerk even vertrouwden worden, omdat we een stukje brood en een slokje wijn met elkaar delen in Jezus’ naam en zeggen dat dit meer is dan we nodig hebben. Het is in de woestijn zijn en weten dat je zelfs daar thuis bent. God geeft het ons te doen.

Afbeelding / www. pexels.com

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel