Rotterdam, de stad van Tom Poes

11-5-2018 17:55

Door Gastauteur

Tekst van de Eerste Marten Toonder-lezing, op 2 mei 2018 om 16 uur in de Gemeentebibliotheek van Rotterdam, Hoogstraat 110, uitgesproken door Manuel Kneepkens

                                                                              motto:  pienter als Tom Poes

Vorig jaar op 2 mei is het monument ‘Hommage aan Marten Toonder’, ook wel genoemd ‘het Bommelding’ teruggekeerd en wel hier tussen de Markthal en Station Blaak. Het monument blijkt ‘grondig verfraaid’ want voorzien van een dichtregel in bladgoud uit het curieuze  ‘oeuvre’ van Querulijn Xaverius, Markies de Canteclaer van Barmeveld:

 

                  Zwarte stenen als overblijfsel van een decadent verleden

                  / tegen het marmerblanke heden /waar de stille tranen wenen/

                   van de bevrijde geest

 

Oorspronkelijk was die terugplaatsing gepland voor Februari 2016 , maar… in Februari 2017 was het monument er nog steeds niet!  Verontruste stripliefhebbers hingen toen bij mij de aan de telefoon. Dat komt omdat het monument een gevolg is van een door mij namens de toenmalige Stadspartij Rotterdam ingediende motie in de gemeenteraad om Marten Toonder, geboren in Rotterdam, de eer te bewijzen ‘die past bij een Heer van Stand’. En een ‘Heer van stand’ was Marten Toonder zeker. Een gentleman,  woonachtig op een kasteelachtig huis in Greystones, Ierland.

Maar allereerst was schrijver–tekenaar Marten Toonder natuurlijk een hoogst creatief iemand. Deze eerste Marten Toonder-lezing gaat dan ook over creativiteit, Marten Toonders eigen creativiteit uiteraard voorop, maar aansluitend ook over de creativiteit van ons, de bewoners van het actuele ‘Rommeldam’. Zijn er uit de Bommelsaga lessen te trekken voor het huidige Rotterdam? Die vraag wil ik vandaag aan de orde stellen. 

Op de idee Marten Toonder te eren met een monument kwam ik, tijdens mijn raadslidmaatschap, door een curieus gegeven in de laatste ‘Tom Poes en Heer Bommel’-strip Het Einde van eindeloos.  Daar treedt een wethouder Kneep¹ op en… bepaald niet in gunstige zin. Hij wil Slot Bommelstein afbreken om aldaar de nieuwe buitenwijk Buitenrommel aan te leggen… Laat ik het zo zeggen, dat heb ik mij, als ‘raadslid Kneep’ aangetrokken. Die motie is toentertijd met algemene stemmen aangenomen. Een zeldzaamheid in de Raad van Rotterdam! Ook speelde natuurlijk een rol dat voorafgaande aan Rotterdam als Europese culturele hoofdstad, de stad Weimar in Duitsland de culturele hoofdstad van Europa was. En in Weimar pronkt…het standbeeld van een onsterfelijk vriendenpaar Goethe und Schiller. Wel, zo bedacht ik toentertijd, Weimar mag zijn onsterfelijk  vriendenpaar hebben… wij in Rotterdam hebben óók een onsterfelijk vriendenpaar! Heer Bommel & Tom Poes! De onsterfelijke creaties van stripauteur Marten Toonder, geboren en getogen in onze stad.

Maar het ging mij om meer dan twee getekende figuren. Het ging mij dus om de idee van Rotterdam als stad.  Rotterdam heeft een verleden, een heden en een toekomst. De toekomst is ons - welhaast per definitie - onbekend, maar met het verleden hoeft dat niet zo te zijn. Maar is het in steden als Amsterdam of Maastricht tamelijk gemakkelijk hun geschiedenis af te lezen in de buitenruimte, in Rotterdam is dat bepaald niet zo. Dat komt door het Bombardement van mei 1940 en  vervolgens de wederopbouw  die van Rotterdam ‘een Amerikaanse stad’ moest maken. Zo werd het door de groep van ondernemers die onder leiding van Van der Leeuw, de directeur van de Van Nelle-fabriek, bijeenkwam, geformuleerd. En zo is het wederopbouwplan uitgevoerd.  Maar… om het heden te begrijpen en om zinnige plannen te maken voor de toekomst moet een stad zijn verleden kennen.  

En het is uiteraard de creatieve geschiedenis van de stad, die ik graag in de stad zelf, in de buitenruimte van Rotterdam te lezen wil zien. Dáártoe moest het Toonder-monument een bijdrage zijn. Want als zichtbaar wordt gemaakt, dat in onze stad vele mannen en vrouwen hebben geleefd, die creatief, sociaal en humaan waren, kan dit een aansporing zijn voor anderen, niet in de laatste plaats jongeren, om ook creatief, sociaal en humaan te zijn. Dat zie ik als de belangrijkste zin van historiebeoefening, verslaglegging van de menselijke creativiteit To be creative or not to be!  Daar draait het in de geschiedenis om. Althans de positieve geschiedenis.  Ik weet het,  er is ook een geschiedenis van oorlog , geweld en vernietiging . Ook daar heeft  Rotterdam meer dan weet van. Daarvan vertelt de Brandgrens. Het bombardement van 14 mei op de oude binnenstad en de daarop volgende wederopbouw van Rotterdam ‘als Amerikaanse stad’ hebben dus het aflezen van de geschiedenis van de stad aan de stad zelf hoogst moeizaam gemaakt. Die geschiedenis moet er als het ware kunstmatig worden ingebracht.

Vandaag gaat het dus over het verhaal, dat met prioriteit zichtbaar gemaakt moet worden, ‘het andere Rotterdamse verhaal’, het humane verhaal, dat van de Rotterdamse creativiteit. En een Rotterdam, dat trots is op haar creatieve historie, draagt die creatieve historie uit. En geeft dus royaal aan in zijn buitenruimte wie die creatieven van haar verleden zijn geweest. Dat is voor ons allen, de bewoners van Rotterdam, belangrijk, dat is duidelijk, maar voor nieuwkomers in onze stad is het zelfs heel belangrijk. Omdat creativiteit iets universeels is. In creativiteit herkent de ene mens zichzelf in de ander. ‘Creatief zijn’, met name ‘sociaal creatief zijn’ helpt ‘om erbij te horen’. Creativiteit verbindt.

Wie van ver of van waar dan ook als nieuwkomer hierheen is gekomen, hij of zij heeft vaak geen tot weinig verleden in deze stad, maar daar gaat het in wezen dus niet om. Het gaat erom dat men van het besef doordrongen raakt, dat Rotterdam behalve een ‘gewone’ ook een ‘geestelijke’ havenstad is. Dat is een stad, die  begrijpt dat haar creativiteit op de creativiteit van de vorigen gestoeld is… En  bovenal gaat erom dat men beseft dat de ‘gemeenschap’ van creatieven van alle tijden is en dat je tot die gemeenschap ook ten alle tijden toe kunt treden. En als je in Rotterdam woont, doe je dat toetreden dus in Rotterdam.   

Daarom dus het monument “Hommage aan Marten Toonder’. Een eerbetoon aan een in Rotterdam geboren en getogen creatieve persoon. Dat is de kern van de zaak.

Misschien ten overvloede: het monument Hommage aan Marten Toonder  is vervaardigd door vier jonge Rotterdamse creatieven, vier beeldende kunstenaars, die zich de Artoonisten noemen. Uit die naam blijkt al dat zij zich laten inspireren door ‘de strip’, een combinatie van woord en tekening die met name door toedoen van Toonder tot een ware kunstvorm verheven is.

Uitgangspunt van het monument is dus Rommeldam, woonplaats van Tom Poes en Heer Bommel, een rommelige havenstad, waarin het vooroorlogse Rotterdam, de stad van Toonders jeugd, te herkennen valt. ‘Rommeldam’ is bij Toonder vooral een miniatuur van onze samenleving waarin hij moeiteloos zijn (satirische-ironische) maatschap­pijkritiek kwijt kan. Binnen die  maatschappij stelt hij vier ­krachten nadrukkelijk aanwezig: het geestelijk leven, de politiek, de weten­schap en de beeldende kunst. Allen hebben als onderlaag de wereld van de magie. Toonder is in hoge mate een adept van Carl Gustav Jung.

Van alle vervolgverhalen uit de Toonder-studio (Kappie, Panda, Koning Hollewijn, etc.) zijn de avonturen van Heer Bommel & Tom Poes verreweg het bekendst. Ook bij Toonder zelf zijn ze favoriet. Dat valt te concluderen uit het feit dat Toonder zich in jaren zestig uit de zakelijke leiding van de Toonder-studio terugtrok om zich - in Ierland – geheel te gaan toeleggen op een nieuwe reeks Tom Poes-verhalen (eigenlijk Heer Bom­mel-verhalen).

Individueel heeft iedere Artoonist een van de vier krachtvel­den in de Bommelmaatschappij in een figuur in het monument uitgedrukt. Het zijn geworden: Markies de Canteclaer, burgemeeste Dickerdack, professor Sickbock en de schilder Terpen Tijn.

Hieronder behandel ik volledigheidshalve de personages, die niet vertegenwoordigd zijn in het monument, maar die wel degelijk als eveneens geslaagde uitbeeldingen van Marten Toonders multiple persoonlijkheid mogen gezien.

Want… deed Marten Toonder zich in het dagelijks leven voor als gentleman, als gepolijste man uit een stuk, in feite was hij een multiple persoonlijkheid. Kunstenaar én zakenman. Nederlander én Ier. Kluizenaar én publiek figuur. Realist én magiër. Archaïsch én modern. Naïef én ironisch. Esoterisch én maatschappijkritisch. Bommel & Tom Poes. Kwetal en Sickbock. Marten Toonder was het allemaal. Toonders Rijk van de Verbeelding herbergt dan ook een bonte verzameling aan karakteristieke figuren. Ik noem hier de voornaamste, buiten die afgebeeld op het monument.

Daar is om te beginnen: Kapitein Wal Rus, die als een afspiegeling kan worden gezien van de vader van Toonder, een scheepskapitein met als standplaats Rotterdam, afkomstig uit het Groningse  Warffum. Wal Rus is de onbehouwen, maar  goudeerlijke gezagvoerder van De Albatros, een oud maar nog degelijk schip.

Verder de tovenaar Hocus P. Pas. Eerst enkel als een  tovenaar als gebruikelijk in Sprookjes, maar hij ontwikkelt zich alras in de Bommelsaga tot ‘magister in de zwarte kunsten’, een rasecht vertegenwoordiger van het Kwaad..

Commissaris Bulle Bas. Een man van gezag, althans… dat wil hij graag zijn. Altijd gretig bereid een bekeuring uit te delen, vooral aan Heer Bommel. “Wat is je naam, Bommel? ” 

Het louche zakenduo Bul Super en Hiep Hieper. Zaken zijn zaken. In Bul Super zou Toonder zijn vroegere zakenpartner Joop Gesink satirisch weergegeven hebben.  ‘Gesink was een zakenman, die kunstenaar wilde zijn; ik een kunstenaar die  zakenman wilde zijn,’ aldus Marten Toonder.  

Ambtenaar eerste klas Dorknoper. Dorknoper is qua dierfiguur een hamster. Hij is nauwkeurig, punctueel en vooral onkreukbaar. Dorknoper is zeer strikt in het uitvoeren van de wet en dat leidt herhaaldelijk tot grote wrevel bij Heer Bommel. Die zich door al die regelgeving nogal eens in zijn  Heer zijn beknot voelt.

Wammes Waggel.  Een gans met een constant opgewekt humeur, zelfs als het hem tegenzit. Hij grossiert in onzinnige redeneringen en het opzetten van al even onzinnig handeltjes. Alles is ‘Dolletjes’ en ‘Enigjes’.

Bediende Joost.  Hij bereddert als kok/lakei/ butler de huishouding op Slot Bommelstein. Tijdens Heer Bommels afwezigheid  wil hij zich nog wel eens heimelijk te goed aan diens Port en sigaren. Ook neemt hij nogal eens ontslag, als hij zich weer eens onheus bejegend voelt, maar…hij komt altijd weer terug. Hij is als Labrador afgebeeld, als trouwe hond. De kookkunst van Joost is uit de kunst. Op het einde van elk stripavontuur van zijn baas en diens ‘jonge vriend’ dient hij een ‘eenvoudige, doch voedzame maaltijd’ op. Dat is een eufemisme, want het bijgaande stripplaatje  laat zien dat de tafel werkelijk steevast overvol staat met de kostelijkste gerechten tot een kolossale plumpudding toe.

Kruidenier Grootgrut.  Zijn grutssprits is vermaard, maar zijn foezelwijn allerminst. ‘Grootgrutter’ is een van de vele woorden, die Marten Toonder aan onze taal heeft toegevoegd. Het is de vaste bijnaam geworden voor (supermarktketen)  Albert Hein. Toonder zelf ‘grossiert’ in taalvondsten. ‘Denkraam’, ‘minkukel’, ‘grofstoffelijke trillingen’ en vele anderen hebben de weg naar de Dikke Van Dale weten te vinden.

De psycholoog Zielknijper.  Ook de zachte sector heeft vanaf 1952, toen het verhaal ‘Tom Poes en de Partenspeler’ verscheen, een vertegenwoordiger in de Bommelsaga en wel in de persoon van de psycholoog / pedagoog / agoog drs. Zielknijper, afgebeeld als een lama. Deze Zielknijper  loopt over van begrip voor zijn  cliënt – meestal Heer Bommel – die hij met zalvend taalgebruik voor zich tracht in te nemen. Als dat niet lukt schuwt Zielknijper drastische maatregelen niet. De patiënt wordt zonder meer platgespoten. Zielknijper werd in onze taal het (ironische) woord voor psycholoog en psychiater.

En verder is daar Kwetal,  het wonderlijk breinbaasje, die vindt - als enige! – dat Ollie B. Bommel ‘een groot Denkraam’ heeft, en Pee Pastinakel en al die andere nijvere leden van het Kleine Volkje, ecologisch avant la lettre, die jaarlijks op trek naar het Zuiden gaan om te ipsen...

En niet te vergeten… buurvrouw juffrouw Doddeltje. Anne Marie Doddel! Ze is getekend als een soort Tom Poes in een jurkje en met een zedig kapje rond het hoofd.  Maar in de strip is Juffrouw Doddeltje wat je noemt een kindvrouwtje,  en die zijn altijd héél  gevaarlijk voor mannen…omdat zij  een dubbel beroep op een man doen namelijk én als man én als vaderfiguur…  en een verlegen heer als Heer Ollie, die zich bovendien vaak vaderlijk pleegt op te stellen, met name tegen ‘jonge vriend’ Tom Poes, kan dan ook aan juffrouw Doddeltje’s aantrekkingskracht geen weerstand bieden. Ze zijn uiteindelijk getrouwd en toen was het…  afgelopen met de Tom Poes en de Heer Bommel–strip! Dat het éinde verhaal was, toen Bommel met Doddeltje trouwde, stoelt overigens op een bekend narratief gegeven. In allerlei films en boeken is het met de heldendaden van de hoofdpersoon steevast gedaan als hij trouwt. Het sprookje is uit! Zij leefden vervolgens 'nog lang en gelukkig’ staat er dan. Ik verneem vaak genoeg iets héél anders over wat er vervolgens gebeurt. Maar dit terzijde.

Behalve bovenstaande personages, wemelt de Bommelstrip ook nog van talloze andere creaturen, bijvoorbeeld zij die  in  groepsvorm in de Bommelverhalen optreden, zoals – ik zal niet uitputtend zijn in mijn opsomming , weest u niet bang …– de nozels. de kwanten, de klonters, de dropslaven, de sloven, de killers, de blikken mannen, de prollen, de lemmings ,de pronen en natuurlijk niet te vergeten de bovenbazen. In die laatste strip De Bovenbazen weet Marten Toonder met zijn wonderbaarlijke intuïtie de economische crisis van 2008  al …in 1963  te verbeelden.

Laten we onze blik nu opnieuw naar het monument leiden, naar de helden en wat zij vertegenwoordigen.

a), Het geestelijk leven, de Poëzie.

Religie is geen onderwerp in Rommeldam. Wel daarbuiten, op het platteland. De stroming in het christendom, die meent dat alle  rampspoed moet worden gezien als straf van god personifieert Toonder vanaf 1957 in de in het steevast in het zwart geklede Zwadke Cornelisz, bijgenaamd de Zwarte Zwadderneel. De man is een boeteprediker, die de Tale Kanaäns gebruikt én verhaspelt om de mens van zijn zondigheid te doordringen. Hij spreekt van ‘wening en van knersing der tanden’. Zwadke’s bekeringsdrang brengt Heer Bommel in grote moeilijkheden, maar tenslotte betreft beseft Heer Bommel  dat de boodschap van ‘heer Neel’ niet de zijne is.

Geen religie dus in Rommeldam, maar in plaats daarvan zijn  mompelende profeten en valse poëten alom aanwe­zig in het stadje. Een van die poëtasters is Markies de Canteclaer . Hij draagt graag te pas en te onpas gedichten voor, maar zijn gedrag is verre van poëtisch. Het is een ijdel, onnozel haan­tje dat zich gemak­ke­lijk sturen laat door de Magiër van het Kwaad Hocus P. Pas. 

b) Politiek

De politiek is in Rommeldam wel zéér aanwezig. Er is sprake van een ‘vermolmd democratisch bestel’ onder leiding van een in feite voor het leven benoemde burgemeester, de heer Dicker­dack. Sommigen menen  in deze stripfiguur een combinatie van de Rotterdamse burgervaders Peper en Op­stel­ten te ontwaren. Maar daar blijf ik buiten.

Wel moet hier iets gezegd over de gekozen burgemeester. Daar wordt nu al vijftig jaar over gedebatteerd. Hopelijk raakt het momentum voor invoering niet voorbij zoals dat met het referendum  blijkt het geval te zijn. Dat blijkt heden met haastige spoed afgeschaft. Nadat er door een valse poëet Thierry Baudet (en anderen) misbruik is gemaakt, dat wel.

Maar ik wil de aanwezigen er nog eens aan herinneren, dat het feit dat Rotterdam als gemeente nog bestaat, te danken hebben …aan een Referendum, dat van 1995 in plaats van het referendum af te schaffen, had men het bij moeten stellen, zodanig  dat misbruik er van voorkomen wordt. Dat vergt een Pientere Oplossing … een staatsrechtelijke Tom Poes.

 c) Wetenschap.

Hier is gekozen voor Professor Sickbock. Een figuur die overigens bij Toonder meer de geweten­loosheid van zekere wetenschappers symboliseert dan de (proefondervindelij­ke) wetenschap zelf.  De goede wetenschapper is in de strip Professor Prlwytzkofski. Hij wordt door echte wetenschappelijke nieuwsgierigheid gemotiveerd, waar het Sickbock slechts om machtswellust te doen is.

Met zijn assistent Alexander Pieps trekt hij er regelmatig op uit op zoek naar kennis en nieuwe inzichten.

d) De Beeldende Kunst.

Gesymboliseerd door de schilder Terpen Tijn. Een anarchist, die volmaakt lak heeft aan de maat­schappij en enkel leeft voor zijn kunst. Net als sommige zwangere vrouwen eet hij het liefst augurken. Terpen Tijn staat dan ook voor de oerkracht van de menselij­ke scheppingsdrift. Maar waar zijn in dit geheel Tom Poes en Heer Bommel geble­ven, zullen ‘de oplettende lezertjes’ vragen.  Welnu, het monument bestaat, behalve uit de bovenstaande bron­zen figuren, uit een klavervormige bank met in het midden een zes meter hoge obelisk, bekroond met een gevleugelde wereld­bol. Die (wereld)bol is geel met rode meridianen, een duidelijke refe­rentie aan de jas van heer Bommel. Want ‘Bommel’  is in de wereld van zijn strip in feite niet ander dan de speel­bal van het lot. Alles overkomt hem. Tegenover zijn vaak  bizarre wederwaardigheden staat hij volmaakt weerloos. “Tom Poes, verzin een list!” kreunt hij dan. En dat doet Tom Poes dan.

Het is dan ook niet voor niets dat de Artoonisten met het beeld van Tom Poes het monument bekronen. Daarmee bestempelen zij de ‘Hommage aan Marten Toonder ‘tot een monument voor de creativiteit’, want wat is een list anders dan een vorm van creatieve probleemoplossing? De list is dan ook een bekend gegeven in de narrativiteit van de Lage Landen aan de zee- een Europees gebied, dat het altijd heeft moeten hebben van pientere oplossingen in zijn strijd tegen het water. In het epos de Vos Reynaarde speelt de list zelfs de hoofdrol.  Ook toen al verhulde Willem ‘die Madoc maakte’ de schrijver van de Vos Reynaerde zijn maatschappijkritiek in dierfiguren, niet anders dus dan Marten Toonder in onze tijd. En ook onze eigen Erasmus Roterodamus wist zich succesvol van een list te bedienen. Zijn maatschappijkritiek laat hij in Lof der Zotheid, uitspreken door Vrouwe Stultitia. Zodat hij vol kon houden, dat niet hij, Erasmus, pausen en koningen fel geselde met zijn kritiek, maar zij, Vrouwe Stultitia. Aldus wist hij aan de kerkelijke censuur  te ontsnappen. Niet voor niets bekroont ‘de jonge vriend’ dus de geel-rode globe.  ‘De hommage aan Marten Toonder’ is in feite een standbeeld voor de ‘pientere Rotterdammer’, voor Tom Poes.

In de Bommelstrips is het immers de integere, intelligent en immer trouwe Tom Poes, die uiteindelijk het gevaar, dat zijn vriend, en vaak heel Rommeldam be­dreigt, weet af te wen­den. Ook al  hoor je hem vaak ‘Hmm’ zeggen als Bommels weer iets onzinnigs heeft bedacht of gedaan, Tom Poes laat de grote, domme, zichzelf continu overschattende, grootsprakige Heer niet in de steek. Onkritisch t.o.v. diens gedrag is Tom Poes dus bepaald niet. Maar hij is en blijft loyaal. Een ware vriend. Een toonbeeld van humaniteit,  Eigenlijk is die fictieve figuur, de Kleine Rotterdammer Tom Poes een volgeling van de Grote Rotterdammer Erasmus.

Maar eerst en vooral is Tom Poes creatief. Met zijn list, zijn  oplossing voor de ontstane sociale problematiek, weet hij immers steeds weer Rommeldam uit de problemen te helpen. Het is op dit punt dat het huidige Rotterdam veel van Tom Poes kan leren. Rotterdam moet weer creatief zijn. Dat is de les voor Rotterdam, die uit Toonder’s Rommeldam te trekken valt.

Want het zou een groot goed zijn als Rotterdam eens wat meer de stad van Tom Poes zou worden en wat minder de stad van Bommeliaanse zelfoverschatting. Dit betekent wat de politiek van het huidige Rotterdam betreft enerzijds gèèn megalomane plannen meer… en anderzijds het vele malen krachtiger bevorderen van de kleine creativiteit in de stad, de creativiteit van onderop. Ik besef dat ik met deze opmerking het monument ‘Hommage aan Marten Toonder’ in zekere mate politiseer. Misschien vinden sommigen onder u, dat ongepast. In feite doe ik niet anders dan Provo in de Jaren Zestig deed met het beeld van het ‘Lieverdje’. Geholpen heeft die politisering van een beeld toen wel. Het heeft toentertijd de democratie weer opgang gebracht, die in de jaren Vijftig behoorlijk was vastgeroest. Die noodzaak is er nu ook weer. Zeker in Rotterdam.

Wat te doen?

Rotterdam moet, om te beginnen,  afstand doet van de metafoor ‘Manhattan aan de Maas’.  De metafoor die Rotterdam zo verlammend in de houdgreep houdt. De metafoor die ons op een verkeerde wijze doet kijken naar onze stad.Hoe onzinnig die metafoor laat zich alleen al uit het tegendeel afleiden. Zou er ook maar één New Yorker zijn die Manhattan Rotterdam aan de Hudson noemt? Dacht het niet! New York is een miljoenenstad en Rotterdam telt 600.000 inwoners. Dat is nogal een verschil. Met dat kritiekloos hanteren van die  Manhattan-metafoor trekt bestuurlijk Rotterdam zich een veel te grote broek aan. Gevolg is dat de plannen van de ‘Coolsingel’ strijk en zet lijden aan gigantomania. Een goed voorbeeld daarvan is het huidige plan om te komen tot een gloednieuw voetbalstadion op Zuid, dat op 365 miljoen is begroot. En we weten dank zij de Blunderput, de garage bij het Boijmans, en de Metro- lijn naar Hoek van Holland, dat reëel begroten niet de sterkste kant van de gemeente Rotterdam is. Er moeten steevast miljoenen bij. Die zgn. Nieuwe Kuip is een stadion typisch passend bij de Manhattan-fantasie , niet bij het reëele Rotterdam.

Een ander zo mogelijk nog pijnlijk aspect van de Manhattan-metafoor is dat het kleine onvoldoende geëerd wordt in Rotterdam. Kleine sociaal-creatieve initiatieven in onze stad , worden door de Coolsingel niet of nauwelijks bemoedigd. Onnodige Bureaucratie maakt het de iniatiefnemers moeilijk. En een steuntje in de rug door hier en daar een kleine subsidie of achterstallige lening te verstrekken, de ‘Coolsingel’ peinst er niet over. Laat ik een voorbeeld noemen, bepaald ter zake in deze lezing gewijd aan een stripauteur, namelijk de gang van zaken rond het stripmuseum Strips, tot voor kort gevestigd aan de Wijnhaven. Een initiatief zeer passend bij een moderne en jonge stad als Rotterdam. Een particulier initiatief, dat in de opbouwfase met een overbruggingssubsidie of achterstallige lening zeer geholpen zou zijn. Maar nee, men heeft het stripmuseum als een baksteen laten vallen.  

Momenteel gaat de Coolsingel op de schop, de straat Coolsingel  wel te verstaan. Maar wat mijns inziens nog véél meer op de schop zou moeten gaan  is de ‘Coolsingel’ tussen aanhalingstekens, de politieke Coolsingel. De Rotterdamsepolitiek zou weer inspirerend moeten zijn. Het is toch onverteerbaar dat bij de recent gemeenteraadsverkiezing, slechts de helft van de kiesgerechtigden zijn stem heeft willen uitbrengen. Men haakt in grote getale af! Rotterdam doe daar wat aan!

De lyriek is de moeder van de politiek.²  Rotterdam, maak je democratie weer lyrisch!

Tegenover de megalomane metafoor ‘Manhattan aan de Maas” dient een Rotterdamvriendelijke metafoor gesteld. Een metafoor die recht doet aan Rotterdam. Een, die de stad in het juiste perspectief ziet. Een metafoor, die de stad weer creatief maakt en die de Rotterdamse politiek weer oog doet hebben voor...

small is beautiful’ .

Kortom, Rotterdam als de stad van Tom Poes.

Ik heb gezegd.

Manuel Kneepkens

 

¹ Wethouder Kneepstraat. Naam van een straat in de aan te leggen nieuwbouwwijk Buitenrommel, waarvoor o.a. slot Bommelstein diende afgebroken. Ook : Nieuwe Wethouder Kneepstraat. Het is opvallend dat het Rotterdamse gemeenteraadslid Manuel Kneepkens het initiatief nam tot het oprichten van een monument voor Marten Toonder. Het werd door Marten Toonder persoonlijk onthuld op 12 juli 2002, ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag (op 2 mei) .  Het Monument bevindt zich bij het station Blaak. Pim Oosterheert, Bommellexicon, Van Aamnaak tot Zwirkvlaai, Taal van Toonder, uitgeverij Ton Pauw, Soest 2005, blz. 622

2 Een uitspraak van Lucebert. Zijn andere uitspraak in Rotterdam “Alles van waarde is weerloos”valt te lezen tegenover het Toondermonument , aan de overkant van de Blaak. Een geval van Jungiaanse synchroniteit? Hoe dan ook, ik lees die spreuk als ”Alles van waarde is weerGAloos”

 

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel