Het spelende kind op het balkon

4-4-2017 12:01

Door Gastauteur

Laurenskerk-predikant Bernard van Verschuer over 'onbevangen leven' en de obstakels eromheen 

Twee dagen geleden keek uit het keukenraam naar buiten terwijl ik een beker koffie inschonk. Door dat raam zie je de achterkant van de huizen aan de Zaagmolenstraat. De meeste van die huizen zijn huurwoningen, drie verdiepingen, alle met een balkon. De meeste balkons worden gebruikt als opslag voor fietsen, vuilniszakken. Hier en daar hangt een lijn om wasgoed te drogen, er staat wel eens een buurman of een buurvrouw een sigaret te roken.

Van het leven van de meeste achterburen is weinig te merken. Ik sta ook niet de hele dag koffie in te schenken en door het raam naar buiten te kijken. Van sommige appartementen zijn de ramen met kranten beplakt, achter een enkel raam zie je ‘s avonds en ’s nachts het blauwige schijnsel van een tv. Een enkele keer, vooral in de zomer als de ramen openstaan, ben je getuige van een hoog oplopende echtelijke ruzie en een enkele keer, bij voorkeur midden in de nacht, ontbrandt een familievete of stammenstrijd waarbij de deelnemers zich in het gunstigste geval bezig houden met het kort en klein slaan van de inventaris.

Twee dagen geleden viel mijn oog dus op een balkon van een huis aan de Zaagmolenstraat. Je ziet aan de overkant nooit een kind, maar daar zat op de grond een peuter niet veel ouder dan het kind dat vandaag wordt gedoopt, een nog tamelijk haarloos jongetje. Misschien kon hij al staan, maar hij was het zitten nog wel zo gewend: hij zat zeer geconcentreerd in zijn eentje in de ochtendzon op het balkon met een blauw bakje iets in of uit een emmer te scheppen. Ik vertrok met m’n koffie om weer in  de bijbel te lezen over het verhaal van deze zondag en dacht dat dit kind op het balkon een sleutel kon zijn van dit voor het mensenverstand onbereikbare evangelie over een man die na vier dagen in het graf gelegen te hebben door Jezus tot het leven geroepen wordt: Lazarus, kom naar buiten! (Johannes 11, vers 1-44)

De voor de hand liggende sleutel van dit verhaal is het woord ‘geloof.’ Wie in mij gelooft zal leven, zegt Jezus tegen Martha, de zuster van Lazarus. Maar in Jezus geloven, wie weet wat dat is? Dat je voor waar houdt dat Jezus iemand die dood is weer levend kan maken? Lazarus lag niet onder de grond, maar in een grot met een steen ervoor. Als ze erbij staan zegt de zuster: “hij ligt er al vier dagen, de stank!”

Al die mensen in die woningen aan de Zaagmolenstraat, van wie ik bijna niemand ken – een of twee heb ik wel eens gesproken en naar een enkele andere steek ik een hand op als we elkaar zien – zij hebben allen hun leven. Sommigen lijken altijd te werken, anderen zijn meestal thuis. Ze hebben zoals denk ik ieder ander mens, allemaal een soort van geloof. In hun hun eigen kunnen, in het leven of in de toekomst, in een God, een Allah of in een heilige voorouder.

Als iemand zegt dat-ie niets gelooft, dan wil-ie denk ik vooral duidelijk maken dat hij niet in de God van de christenen of die van de moslims gelooft. Maar geloven is meer dan dat, toch vooral dat je in iets of in iemand vertrouwen hebt, dat je ergens op hoopt. Al die soorten van geloof nu worden in het verhaal van Lazarus als een tamelijk hopeloze inspanning neergezet. De leerlingen gaan met Jezus mee naar Bethanie waar Lazarus woont, ondanks dat het voor hen daar gevaarlijk is. “Laten ook wij maar gaan, om met hem, Jezus, te sterven”, zeggen ze.

Ja, dat is een dapper geloof, maar dat blijkt het dus niet te zijn, geloof, want ze begrijpen het niet. Martha zegt als haar broer gestorven is: ja ik weet dat hij, Lazarus, op de jongste dag zal opstaan. Dat is een sterk geloof, maar ook daar gaat het dus niet om. Jezus zelf – dat is bijna het meest verwarrende in het verhaal – begint als hij naar het graf gaat zelf te huilen. Wat moet je daarvan denken, geloven? Geloven in Jezus, die daar zelf als een machteloos, verdrietig en verslagen hoopje mens staat te huilen, in plaats van de soevereine krachtpatser die met een enkel woord over dood en leven beschikt. Alle soorten van geloof lijken hier machteloos ten overstaan van de dood. Dat is de bikkelharde werkelijkheid. Zoals een mens zelf ervaart als ie bij het graf staat van iemand van wie hij gehouden heeft. Alle lieve woorden die mensen dan goedbedoeld prevelen, maar troost en geloof zijn dan niet meer dan een dovend vlammtje in een plas tranen.

Een sleutel zou het spelende kind op het balkon kunnen zijn, bezig met een bakje iets in of uit een emmer te scheppen. Het kind dat een jaar daarvoor uit zijn moeders schoot tevoorschijn is gekomen, uit het donker naar het licht, geboren om te leven. Wat dat leven allemaal voor donkerheid in petto heeft, daar heeft het geen weet van, noch van de nacht die er was, aan de nacht die komt denkt het niet en aan doodgaan al helemaal niet. Het kind is bezig, in de weer met het bakje en de emmer. Het kind is bezig, gelooft in het leven dat hem overkomt, in de zon die over hem schijnt, in dat wat het vol overtuiging aan het doen is. Zoiets komt  in de buurt van wat geloven is, stel ik me voor. Als dat kind zouden we willen zijn, moeten zijn. Zo onbevangen leven, zonder angst en argwaan en zorg. Maar dat kan een volwassen mens niet want die weet van de nacht, die weet van al het andere waar het kind nog geen idee van heeft.

Dat een mens door het zien van een spelend kind geraakt kan worden – en er is geen mens die dat niet kan – dat een mens door het zien van een spelend kind aan zichzelf herinnerd kan worden, aan zijn eigen leven, aan het ware en het echte leven, een weten wat hij met zich meedraagt, wat hij zich herinnert, waarnaar hij verlangt, dat kun je misschien het begin van een geloof noemen. En dan dat er iets is, een bron waar dat leven uit voortkomt, wat het kind onbezorgd doet zijn, waar de dood geen overheersende betekenis heeft, geen schaduw werpt, waar het leven in een soort zuiverheid gezien, geleefd kan worden en dat die bron God is.

Zo onbezorgd en onbekommerd kunnen wij niet leven, maar we kunnen ons wel met die bron verbinden om het leven niet kwijt te raken. Dat is denk ik wat de opwekking van Lazarus ons wil zeggen. Dat is opstaan, of weer geboren worden, of zoals vandaag gebeurt: gedoopt worden. Wat het kind dat gedoopt wordt niet nodig heeft. Een doop is niet voor vandaag, niet voor een keer, maar voor heel het leven: je herinneren dat je geboren bent. Lazarus, de naam van de man betekent: die door God wordt bemind. Daarmee is op een andere manier alles gezegd en uitgelegd voor zover hier iets kan worden uitgelegd en begrepen.

Deze dag, de tweede april 2017, is in de Laurenskerk een ongewone, bijzondere dag. In een van de kapellen in de kerk is een bronzen gedenkplaat met de afbeelding van Abraham Rutgers. Vandaag is het 75 jaar geleden dat Abraham Rutgers, 58 jaar oud, stierf in het concentratiekamp Dachau, op 2 april 1942. Hij was dominee in Rotterdam, hij was een sociaal bewogen mens en hij had een scherp oog voor recht en onrecht. Hij liet zich door de Duitse bezetters niets verbieden: hij zei in en buiten de kerk wat hij vond dat hij moest zeggen. Dat heeft hem zijn leven gekost. Verder weet ik niet van hem, maar ik veronderstel dat hij niet bang was, of dat zijn liefde voor de waarheid sterker was dan zijn angst.

Misschien helpt de gedachtenis van dominee Rutgers om iets te verstaan van een laatste raadsel in het verhaal van de opwekking van Lazarus. Dit: dat nadat Jezus aan het graf van de dode had geroepen “Lazarus kom naar buiten” en de dode was naar buiten gekomen, gewikkeld in de doeken waarmee ze de doden in die landen begraven, en Jezus had gezegd “maak de doeken los en laat hem gaan.” Dat, nadat ze daarvan gehoord hadden, mensen in de tempel in Jeruzalem bij elkaar kwamen en besloten dat Jezus dood moest.

De Duitsers hadden er belang bij dat de mensen leefden in het donker, in de schaduw van hun dreiging met geweld. Als iemand liet blijken niet bang te zijn voor die dreiging dan zou dat anderen kunnen aansteken, ze zouden hun angst de baas worden en ook in verzet komen. Bij Jezus was het misschien niet anders: Hij maakte de mensen vrij en de bazen van het land zagen hun hele systeem, hun orde en hun gezag in gevaar komen. “Telt niet een dag twaalf uren” zei Jezus tegen zijn leerlingen die bezorgd waren?  “Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.”

Zien wij in ons leven licht en gaan wij in het licht.         

Afbeelding / http://beeldgedicht.info 

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel