De radicaliteit van het leven

9-7-2017 11:54

Door Gastauteur

'Kierkegaard voorspelde al zo'n 150 jaar geleden dat het uiteindelijk alleen nog maar om geld zou gaan' 

Preek, Laurenskerk 2 juli 2017, uitgesproken door Bernard van Verschuer

Terwijl ik aan m’n preek werk, gister in de namiddag, is buiten op het plein Keti Koti aan de gang. Keti Koti is elk jaar deze dag, herdenking van de afschaffing van de slavernij voor Suriname en op de Antillen op 1 juli 1863. De veel te harde trommelmuziek slaat tegen het huis en doet de voordeur trillen. Een paar tientallen Surinamers en Antillianen zitten op stoeltjes, hangen rond, een paar vrouwen in gekleurde jurken dansen. Het maakt zoals elk jaar een wat lusteloze indruk.

Het is geen feest, wat is het wel? Er is geen niet Surinamer bij, geen enkele blanke, niemand die zich met hen verheugt over iets naars en verwerpelijks van honderdvijftig jaar geleden waarom zij nu hier op een klamme grauwe zaterdag in Rotterdam zijn in plaats van in Ghana of Ivoorkust, van waar hun voorouders naar de plantages in Suriname verscheept zijn. Is er iets te vieren of wordt er vooral iets herinnerd wat niet vergeten moet worden?

Bij mij wekt het de indruk dat de gemeente elk jaar wat tenten neerzet en wat stoeltjes, muziek regelt en er nog een paar flappen bijlegt, alles met bonnetjes afrekenen, dan kunnen zij hun feestje vieren. Alsof de afschaffing van de slavernij niet net zo goed door alle andere Nederlanders herdacht en bedacht zou kunnen worden. Het is daarnaast, maar dat is mijn indruk, het herdenken van de mensen die ik op het plein zie, die op de een of andere manier nog de gevolgen dragen van de slavernij, het feest van de mensen die nu in Nederland leven die op de een of andere manier het ontheemd zijn met zich mee dragen.

Die indruk wordt versterkt als ik een Surinaams echtpaar dat aan de andere kant woont, de vrouw is meen ik jurist bij de overheid, nog net niet met afgewend gelaat over het plein naar hun auto zie wandelen en wegrijden. Het is dus niet hun feest. Wat is het dat Keti Koti, het losmaken van de kettingen, betekent? Is het oude pijn, de herinnering aan verhalen van hun voorouders, heimwee naar een land van herkomst, is het te weten ooit een slaaf geweest te zijn, handelswaar, een brandmerk dat in de tijd nooit meer ongedaan gemaakt wordt? Wat betekent de herinnering aan de slavernij, wat betekent dat voor hen, voor hun leven nu, hier? Wat is verleden en heden en kunnen die samenvallen?

Het heeft te maken met waar de Bijbeltekst van Mattheus 10,34-42 me over doet denken: gelijktijdigheid, een term van de filosoof Kierkegaard. Kierkegaard leefde in Kopenhagen, hij stierf in 1855, acht jaar voor de afschaffing van de slavernij. Kierkegaard zei dat het Christendom zo dood was als een pier, een traditie, een herinnering aan een man die tweeduizend jaar geleden in Galilea rondliep. Volgens Kierkegaard heeft het Christendom het uiterlijk van het leven vorm gegeven, is het Christendom zelf vorm. Hij verfoeide het, hij schold erop en net zo hard op de christenen, de dominees de bisschoppen, zijn tijdgenoten.

Gelijktijdigheid betekent volgens Kierkegaard dat het niet gaat om oude woorden of wijze lessen waar je nu je voordeel mee kunt doen maar om het verstaan van een woord van Jezus alsof dat  tot jou gericht is in het hier en nu, en het vraagt je hier en nu om een keihard ja of nee. Het gaat om een mens, om een enkel mens, om ieder enkel individueel mens. Het gaat om zijn leven: ja of nee, het gaat om dood of leven, ja of nee. Je hebt nu de implicatie van de vraag te verstaan, je hebt nu de kans om te antwoorden en je komt daar niet omheen, je moet daar niet omheen: je moet het recht in het gezicht durven zien. Zonde is, meen ik, volgens Kierkegaard dat je de neiging hebt om erom heen te gaan, het uit te stellen. Een beetje te accommoderen, naar eigen behoefte aan te passen, af te zwakken. Te zeggen dat het wel allemaal erg moeilijk is: geloven, want dat is het als je ja zegt, dat je gelooft en dat je dat leeft. Het leuke van Kierkegaard is dan wel weer (dat er iets leuks aan hem genoemd zou worden daar zou hij van gruwen), dat hij zich de onmogelijkheid van het voor die keuze staan, realiseert.

De onmogelijkheid om te geloven, want het gaat recht tegen een mensenverstand, tegen heel het mensenwezen in. Geloven is volgens Kierkegaard voor een mens hetzelfde als dat je een hond op zijn achterpoten leert lopen. Die woorden van Jezus: “denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard,” woorden waar mensen in twintig eeuwen christendom veel ruzie om gemaakt hebben en zwaarden getrokken, zou ik zo willen verstaan.

Dat het je uit je positie van vrede haalt: dat het onrust zaait, oorlog doet uitbreken, niet tussen jou en een ander, maar tussen jou en jezelf. Die uitnodiging of oproep kun je op twee manieren opvatten. Je kunt denken dat Jezus zoals iedere stichter van een nieuwe beweging of godsdienst totale en onvoorwaardelijke overgave van zijn volgelingen eist. Alleen zo en anders niet. Dat kan, en als dat zo is dan weten we het wel, dan zijn we er klaar mee. De andere mogelijkheid of opvatting is dat hier iemand spreekt, een appel doet op de hoorder, die gewicht hecht aan, gewicht legt op het individuele bestaan van elk mens dat hier aangesproken wordt.

Wie ben ik, wat is mijn leven, wat weegt dit toevallige bestaan van mij, ik die er even ben en eindeloos niet, ik, die mezelf kan voordoen als heel wat, die iets in beweging kan brengen wat enorm lijkt maar waar per saldo niets van over blijft (kijk naar de Europese staatsbegrafenis van Helmut Kohl gisteren waar de historische betekenis van een mensenleven en de man die door niet weinigen graag zo gauw mogelijk vergeten wordt een rare disbalans vormen), ik die mijn zakken vul met spullen om tenminste iets te wegen, die mijn leven vul met dromen en daden, altijd bezig om tenminste iets voor te stellen. Dat er los daarvan, of daarnaast iets, iemand is die waarde hecht aan mijn bestaan en daarom aan mijn keuze, mijn beslissing. Niet om die ander daarmee een plezier te doen, dan heeft ie er weer een volgeling bij, maar om mij te laten verstaan dat mijn eigen naakte en soms kromme bestaan waarde heeft, die door die ander gezien wordt, gekend, geschat, gewaardeerd.

Wat nog meer spreekt voor de tweede opvatting, dus niet die waar het gaat om het winnen van zieltjes en het vestigen van een religie of een machtige groep, is dit. Jezus roept op om alle banden te verbreken en hij gaat daar ver in: wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard. Dat is de taal van een waanzinnige, van een Stalin of een Hitler, de eis van onvoorwaardelijke toewijding. Je zou zeggen: bekijk het maar.

Ik denk dat de goede interpretatie deze is: als het erop aankomt, op de vraag wie je werkelijk bent, dan ben je niet in essentie, niet in de eerste plaats een vader of een moeder, een zakenman, een pianospeler of het kind van je ouders, dan ben je die die het recht van zijn bestaan ontleent aan deze uitnodiging en het antwoord op die vraag. Dat belooft geen eer, geen rijkdom, geen lidmaatschap van een fantastische club mensen, maar o schande, het op je nemen van een kruis, bereid te zijn om het leven te verliezen.

Zoals Jezus zijn leven leefde, zoals zijn leven eindigde. Bereid te zijn om te verliezen. Als je dat letterlijk neemt, dan weet je dat je dat niet zult doen, dat je wel gek bent als je er alleen al aan zou denken. Je wordt er niet gelukkig van, dat weet je zeker, en de wereld wordt er niet beter van: een grote massa van zichzelf opofferende mensen. De gedachte, die zo weerzinwekkend is dat ieder weldenkend mens meteen denkt: ik niet dus.

De gedachte die u ook zou kunnen overwegen is deze: zou het niet kunnen zijn dat er zoals Jezus zegt een bedoeling in dit bestaan is, een grond waarom, waarvoor ik er ben, waarvoor mensen er zijn, en dat die grond hier zichtbaar gemaakt wordt. Deze: dat leven in essentie niet nemen is, maar geven, en als gevolg daarvan dat leven in essentie niet bemachtigen is maar ontvangen, dat leven niet neerkomt op survival of the fittest, maar op een je hele wezen ingaande bereidheid om te delen. Dat de kern van ons leven niet is dat je je buik kunt vullen, maar dat je in staat bent om lief te hebben, en om daartoe in staat te zijn moet je aansluiten op een bron waar liefde vandaan komt.

Kierkegaard voorspelde al zo’n 150 jaar geleden dat het uiteindelijk alleen nog maar om geld zou gaan, om de spullen en dat het innerlijk leven van de mensen, daar waar ze aangesloten zijn op dat wat de werkelijke waarde van hun menszijn uitmaakt, hun menselijkheid, eraan zou gaan, zou verschralen, als een dood plantje op een vensterbank zou overblijven. De gedachte aan een God waar je je aan toe vertrouwt was in de ogen van Kierkegaard al bijna een onmogelijkheid, een absurde, onmenselijke sprong, waarvan hij zei dat dat het enige was waar het in het leven op aan komt.

Er is in het evangelie van vandaag iets anders, troostends en opbeurends: er is iets in de mens, en op dat iets kan de christelijke traditie zich niet laten voorstaan, niet ten opzichte van welke andere traditie of religie over overtuigingsloze groep dan ook, er is iets intuïtiefs in de mens wat niet ver van God en van dit woord van Jezus af is. De ene mens die een ander een beker koel water aanbiedt, de ene die een ander helpt als die een hand of een arm nodig heeft om staande te blijven. De ene mens die opzij gaat voor een ander, de wonderbaarlijke gastvrijheid, een plotselinge, ontroerende onbaatzuchtigheid, een onverwachte belangeloze radicaliteit voor de zaak van een ander. Het is er allemaal, en al gaat de hele wereld naar de vaantjes, die herinnering aan het woord, aan de uitnodiging van Jezus, kun je zien, ervaren. En het is de uitnodiging zelf om zo te zijn zoals wij in wezen gemaakt zijn, om te worden wie wij zijn.

Amen.

Afbeelding / www.ketikotirotterdam.nl

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel