Ons geheugen en de dingen waarvan we niet weten dat we ze weten

2-8-2012 12:30

Door Marina Meeuwisse

Foto: Places I know from comicstrips

 

'Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen.' Jean Paul Sartre

 

De stad is ontworpen op een manier waardoor al die verschillende activiteiten van al die verschillende mensen daadwerkelijk tegelijkertijd en naast elkaar plaats kunnen vinden. De constructie die daarvoor nodig is, is vele malen complexer en uitgebreider dan een magnetron. En daar weet eigenlijk niemand van hoe die echt werkt.

 

Een straat ontwerpen en aanleggen vraagt enerzijds om precisiewerk, maatwerk, inspelen op specifieke vragen en behoeften. Anderzijds vraagt een ontwerp om tijdloosheid, het voorkomen van trendy achtige ingrepen, een bepaalde mate van neutraliteit. Zeker als je bedenkt dat een straat, inclusief alles wat onder de verharding ligt, erg kostbaar is om aan te leggen. Een straat gaat circa 50 jaar mee.

 

Dat betekent dat het ruimte biedt aan twee generaties bewoners en miljoenen passanten. Voor al deze mensen vormt de straat het platform om als stedeling te functioneren, te acteren. De straat als podium, als plek waar je als mens stedeling bent. De plek waar je als mens de stad het beste voelt en waarneemt, waar je in de beweging van alledag je waardering voor een stad opbouwt en (onbewust) bepaalt. De straat als verzamelplaats van scenes. In het artikel ‘a city is not a tree’  legt Christopher Alexander dit fenomeen van scenes en ‘sets’ perfect bloot (Alexander, 1966). Alexander legt hierin de moeilijk te definiëren relatie tussen de fysieke aspecten van een straat en de activiteiten in die straat. Ondanks het feit dat dit artikel tot standaardwerk in de architectuur en stedenbouwkunde is geworden, lijkt in de ontwerppraktijk van alledag nog steeds de focus volledig op de ‘hardware’ kant te liggen. De stad wordt in de ontwerppraktijk gezien als materieel object en niet voldoende onderzocht en begrepen als een responsieve omgeving die het voor bewoners en gebruikers zou kunnen zijn.

 

Als er onderzoek naar verklaringen van stedelingen over de stad en haar straten wordt uitgevoerd gebeurt dit meestal met behulp van enquêtes en / of interviews. Met dit type onderzoek wordt een appèl gedaan op de ervaring, de mening en / of andere noties die stedelingen van de stad hebben en wordt bewuste kennis waarover de stedeling beschikt geïnventariseerd. Bewuste herinneringen vertekenen het denkbeeld van de stad, waarom dat zo is lichten we toe. We beweren dat het idee dat de stad en het stedelijk leven wordt vormgegeven door architecten, stedenbouwkundigen en bewoners onvolledig is. Het is vooral het informatie-verwerkend vermogen van het onbewuste dat ons alledaags gedrag aanstuurt: daarmee geven we vorm aan stedelijke cultuur en definiëren we onbewust de stad. Het is alsof de stad een geheugentheater[1] in vivo is, waarin gebouwde omgeving en gedrag van stedelingen ongewild onbewuste herinneringen activeren. Dit slimme onbewuste is de belangrijkste gids in het dagelijks leven, aangezien het zaken regelt die zich afspelen buiten de controle of het toezicht van het bewustzijn (Dijksterhuis, 2007).  De vraag is nu op welke manier we in een onderzoek toegang kunnen krijgen tot dit onbewuste.

 

De afgelopen decennia hebben een aantal inzichten het complexe vraagstuk van de prestaties van het onbewuste blootgelegd, een van de onderzoekers van het eerste uur is Daniel Schacter (1996 & 2001). In de zomer van 1980 heeft hij een experiment uitgevoerd bij gezonde mensen met een bijzondere nadruk op het onderscheid tussen bewuste en niet-bewuste vormen van het geheugen. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van perceptuele priming. Deze visuele instructies roepen onbewuste herinneringen op die functioneren als richtlijnen voor het menselijk geheugen en specifieke, onbewuste kennis activeren die getypeerd kan worden als kennis waarvan we niet weten dat we het weten (Schacter, 1996 & 2001). In de resultaten meldt hij dat priming een belangrijke rol in het dagelijks leven speelt en hij realiseert zich dat hij een 'nieuw' geheugen gevonden heeft, dat hij identificeert als het impliciete geheugen. Het is een niet-bewust geheugen dat informatie bevat waarvan wij niet weten dat we die hebben opgeslagen en als gevolg daarvan informatie bevat die we niet bewust kunnen herinneren. Dit geheugen staat haaks op het expliciet geheugen waar we bewust informatie opslaan, die we bewust onthouden. Het impliciete geheugen is onbewust, omdat dat personen zich er niet bewust van zijn als zij informatie uit dit geheugen ophalen. Dit geheugen kan worden beïnvloed door voorafgaande gebeurtenissen: men veronderstelt dat het ophalen van onbewuste herinneringen onvrijwillig of zonder opzet gebeurt.

 

Sinds die tijd hebben voldoende experimenten aangetoond dat Schacter gelijk heeft. We hebben een impliciet geheugen en nog interessanter, waar het bewustzijn slechts een interpretatie van één beeld tegelijk op één moment tegelijk kan ‘zien’, doet het onbewuste zo ongeveer alles tegelijk wat van psychologische betekenis is (Dijksterhuis, 2007). De capaciteit van het bewuste staat in schril contrast met de verwerkingscapaciteit van het onbewuste. Ons slimme onbewuste regelt zaken die plaatsvinden buiten de controle of het toezicht van ons bewustzijn, terwijl het bewustzijn slechts af en toe wordt geconfronteerd met de eindproducten van onbewuste processen (Dijksterhuis, 2007). We denken wel dat we de complete straat zien, maar het beeld van een straat wordt samengesteld uit gegevens die deels worden opgevangen door de zintuigen en deels worden opgevist uit het geheugen (Wagenaar, in Kayzer, 1995). Uit deze ervaringen fabriceert onze geest een consistente wereld, een verhaal over stedelijke cultuur. Kortom: een wandeling door de stad activeert ongewild allerlei herinneringen, waarvan we ons vaak niet bewust zijn. Zo functioneert een promenade architecturale: onze dagelijkse omgeving geeft ons doorlopend visuele instructies, omdat priming incidenteel plaatsvindt (Lewandowsky et al., 1989). Kunnen we, uitgaande van deze inzichten, stellen dat vooral het informatie-verwerkend vermogen van het onbewuste ons alledaags gedrag aanstuurt? Activeert het ongewild prikkelen van herinneringen en het terughalen van vroegere ervaringen, de stad die zich in ons hoofd heeft genesteld?

 

Onvrijwillige herinneringen zijn bewuste en onbedoelde herinneringen van persoonlijke ervaringen. Zulke herinneringen zijn bijzonder levendig, emotioneel en hebben en sterk gevoel van onmiddellijkheid. Er zijn twee niveaus te onderscheiden: (1) onvrijwillige herinneringen kunnen intern of extern geactiveerd zijn (Mace, 2007). Een interne activatie van een onvrijwillige herinnering is bijvoorbeeld een lichamelijke ervaring, emotie of gedachte. Externe activatie van onvrijwillige herinneringen vindt plaats door de omgeving. Wat is de aard van dit soort herinneringen als mensen blootgesteld worden aan beelden uit de stad? En maakt het uit wat de aard van die beelden is? En (2) onvrijwillige herinneringen zijn abstract, sensorisch, perceptueel of ‘stemmings-gerelateerd’ (Mace, 2007). Abstracte activatie ontstaat door gedachten of taalkundige referenties die naar een oorspronkelijke gebeurtenis leiden, die in het geheugen ligt opgeslagen. Sensorische perceptuele activatie zijn waarnemingen die naar een oorspronkelijke gebeurtenis leiden. En ‘stemmings-gerelateerde’ aanwijzingen zijn psychologische of emotionele referenties die leiden naar de oorspronkelijke gebeurtenis (Mace, 2007). Omdat de kans dat onvrijwillige herinneringen worden geactiveerd door abstracte cognitief ontwikkelde aanwijzingen groot is, lijkt het erop dat terugzoek processen van vrijwillige en onvrijwillige herinneringen vergelijkbaar zijn. Onvrijwillige herinneringen refereren eerder naar specifieke gebeurtenissen in vergelijking met vrijwillige herinneringen. Onvrijwillige herinneringen hebben vaker een positieve lading in vergelijking met vrijwillige herinneringen en gaan gepaard met een sterkere lichamelijke reactie, zij hebben een grotere invloed op de stemming in vergelijking met vrijwillige herinneringen. Onvrijwillige herinneringen zijn gerelateerd aan een meer levendige herinnering in vergelijking met vrijwillige herinneringen (Cohen et al 2007).

 

Onvrijwillige herinneringen doen zich in het mentaal functioneren van het dagelijks leven voor. Een klassiek voorbeeld is de herinnering van Proust als hij zijn madeleine in een kopje thee doopt. Hij beschrijft een dagelijkse onvrijwillige herinnering die wordt geactiveerd door een dagelijkse gewoonte. Pionier Linton noemt deze herinneringen ‘waardevolle fragmenten’ uit het verleden. Soms ontstaat op die manier een keten van onvrijwillige herinneringen: als men een herinnering terughaalt, activeert die herinnering onwillekeurig een andere gerelateerde herinnering waardoor vervolgens weer een nieuwe herinnering wordt geactiveerd (Mace, 2007). Dat werkt ook zo als we door de stad wandelen.




[1] Het geheugentheater is gebaseerd op een lange traditie van mnemotechnieken en wordt benut om het menselijk geheugen optimaal te gebruiken, waarbij men de herinnering opzettelijk verbindt aan interpretaties, of betekenisvolle verbanden legt met andere stimuli (Schacter, 1996). Daarbij is vaak gebruik gemaakt van visuele voorstellingen, omdat dit elaboratieve codering stimuleert.

 

Rubriek De intrinsieke stad

Marina Meeuwisse

Marina Meeuwisse combineert wetenschap en kunst. Vanuit wetenschappelijk oogpunt houdt zij zich bezig met perceptie, emotie, geheugen en fundamenteel onderzoek. Haar onderzoek focu...

Bekijk profiel