Omarm de absurde stad

30-9-2012 10:17

Door Marina Meeuwisse

De suburbane wildernis als ‘weg’ naar blijvende waardecreatie

Plannen. Inrichten. Doelen stellen. Monitoren. Evalueren. Rotterdam neigt soms, en niet tot haar voordeel, het summum van de Maakbare Stad te worden, vol met toezicht houdende en in veel gevallen contraproductieve ‘professionals’. Waarom moet de Maasstad zo snel mogelijk uit deze ijzeren greep van de maakbaarheid en het beroepsjargon geraken? Laat je meevoeren naar een manier van anders kijken en anders denken… 

‘Hoe halen we professionals uit hun groef?’ Die vraag stelde een stadscollega afgelopen week aan de orde. De vragensteller verwees ermee naar de ingeslepen denkpatronen en handelswijzen van professionals wier handelingen tot bevroren automatismen verworden als zij niet ‘uit hun groef’ worden gehaald. Het is duidelijk dat de stad niet zit te wachten op zulke diepvriesfiguren die, ongeacht de context, hun handelsrepertoire herhalen. Levert het dan – logische vraag - iets op als een professional ‘uit zijn groef’ wordt gehaald? Ontvouwen zich dan vergezichten? Wordt de stad daar beter van?

Suburbane wildernis

Zulke vragen, maar dan grootschaliger, verkent de architect Maarten Struijs, die sinds 1981 bij het architectenbureau van de gemeente Rotterdam werkt. En als zodanig zijn bijdrage aan de stad heeft geleverd. In zijn ‘Aspecten van Erasmiaans Urbanisme’ (2006) pleit hij voor een suburbane wildernis. Centrale idee: als men de controle over de gebieden nu eens loslaat, en dus stopt met plannen maken voor de stad, zal de diversiteit in het gebruik van de stad floreren.

In zijn pleidooi beschrijft Struijs op welke manier Plaats en Tijd van invloed zijn op de gebouwde omgeving die wij kennen als Rotterdam. Plaats en Tijd bepalen het denken: Rotterdam is vooral een stenen woestijn rond de Nieuwe Waterweg. En omdat de stad grotendeels is vormgegeven na de Tweede Wereldoorlog is de stad overwegend gebaseerd op automobiliteit, met een sterke scheiding van haven en stad (Struijs, 2006). Omdat Plaats en Tijd zo’n dominante invloed hebben op het denken van professionals, is de planning van de toekomst van een stad, een toekomst die we niet kennen, een illusie en hoe dan ook niet te realiseren in de vorm van een plan met een vastgesteld einddoel. Struijs schakelt een versnelling hoger: júist omdat het denken van nu anders is dan het denken van vroeger en weer anders zal zijn dan het denken in de toekomst is alle kennis in zekere zin ‘blind’. Dit betekent dat elke consequente doordenking van een theorie, opvatting of mening tot het absurde leidt. En het suggereert dat elk architectonisch of stedenbouwkundig plan in een ruïne eindigt. Struijs’ provocatieve gedachte bestaat in feite uit drie woorden: ‘Is… dat… erg?’

Rotterdam, een absurde ruïne?

Ruïne? Boe! Onmogelijk! Dat past – zo luidt de algemene opinie - niet in het ideaalbeeld van de stad. Sterker nog: zonder idealen worden continuïteit en stabiliteit ondermijnd, want idealen schetsen de werkelijkheid. Juist die geïdealiseerde werkelijkheid is de context waarin professionals handelen. En daar zit een flinke adder onder het gras, want zegt Freud: ‘Idealisering is het psychisch proces waardoor de kwaliteit en waarde (van de stad en van de professional) tot volmaaktheid verheven wordt’. Juist ja, die volmaaktheid van idealen, is die niet onderhevig aan Plaats en Tijd? Anno 2012, vandaag dus, verrijst in Rotterdam de eerste verticale stad: De Rotterdam. Het is een gebouw dat men nooit meer hoeft te verlaten omdat alle functies ‘aangenaam’ onder één dak zijn samengebracht: een hotel, winkels, horeca, woningen, kantoren en parkeerplekken. Handig, die parkeerplekken waar je de auto kwijt te kunt, die je nauwelijks zult gebruiken omdat je nooit meer buiten komt. En ideaal: nooit meer koude handen, nooit meer vuile schoenen en nooit meer de geur van natgeregende honden in de tram.

Toch is idealisering een belangrijk psychisch proces, het draagt bij aan de vorming van een Ego-ideaal. Zonder Ego-ideaal, een imaginaire identificatie met een ‘rolmodel dat is gebaseerd op verinnerlijkte (voor)beelden van autoriteitsfiguren’, krijgt het narcisme, de liefde of de obsessie die men zichzelf toekent, vrij spel. Zo’n Ego-ideaal bespoedigt de teloorgang van een primair narcisme, het verlegt de aandacht van zichzelf naar een nastrevenswaardig ideaal. Hoewel er ook nu een donkere kant aan zit: als het Ego-ideaal het narcisme op z’n plaats houdt gaat het om het “herstel van een onbereikbare en illusionaire toestand van volmaaktheid, almacht en onafhankelijkheid die ons laat ontsnappen aan iedere concrete of realiseerbare invulling” (Freud). Dit leidt tot een even spannende als verlammende paradox: want aan de ene kant zijn idealen handig omdat ze onderdak bieden aan een moreel referentiekader, schenken ze zingeving aan menselijke relaties en culturen. Anderzijds kunnen idealen ertoe leiden dat er - zie Struijs - nooit iets blijvends tot stand komt.

Idealen in beton

Elke stad kent zijn idealen, waarachter een onveranderlijke werkelijkheid schuilgaat die er in slaagt de tand des tijds te doorstaan. Dat is mooi! Maar betekent dat nu dat gebouwen en plekken die zulke idealen huisvesten het uiteindelijke lot - ruïne te worden - kunnen ontlopen? Interessante kwestie: is bijvoorbeeld het oude Centraal Station, dat van Ravensteyn ontwierp, gesloopt omdat de idealen die het gebouw vertegenwoordigde achterhaald zijn of vreesde men dat het een ruïne werd? Om die oorspronkelijke en (onzichtbaar?) richtinggevende idealen te kunnen opsporen maken we, vanuit Freudiaans perspectief, het kan haast niet anders, gebruik van projectie. “Projectie is een activiteit waarmee wensen of gedachten die men bij zichzelf ontkent of afwijst ten onrechte aan een andere zaak worden toegewezen” (Freud). Omdat we idealen niet zullen afwijzen, zien we met behulp van projectie juist die dingen die we wel afwijzen. Volgens Freud is projectie dan ook hét procedé waarmee minderheidsgroeperingen worden gestigmatiseerd. Vertaald in stenen betekent dit: projectie is het procedé waarmee wijken en buurten worden weggezet als ‘probleemwijk’ of ‘elite-buurt’. Er zijn straten, waarvan het decor vertelt welke idealen we hooghouden. Eenvoudige woningen, met kleine ramen, samengepakt in een straat die vertellen over de arbeiders uit het industriële tijdperk en de gastarbeiders uit de jaren 70. Verwijderen we met de fysieke herstructurering in de oude wijken de idealen van toen, waar we ons vandaag voor schamen? Er zijn ruime lanen en singels met statige villa’s, waar de notabelen van de stad hebben vertoefd. Glimmend gepoetste koperen naamplaten en een deftige stoep onderstrepen haast ongemerkt de status van haar bewoners.

Ruïne… Nou en?

Vanuit dat oogpunt is het niet vreemd dat idealen en absurditeit in de stad, die ontstaan zijn uit een samenloop van omstandigheden waarbij Tijd en Plaats bepalend zijn, gezamenlijk op hetzelfde slappe koord balanceren. Volgens Freud is projectie ‘het centrale afweermechanisme in de paranoia, een zeldzaam ziektebeeld  dat zich kenmerkt door rigide, persisterende en gesystematiseerde wanen die sluipend, zonder aanwijsbare oorzaak ontstaan’. Een gezonde argwaan tegen de idealen, wanen zo u wilt, is dus minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. En dat geldt niet alleen voor ‘stenensjouwers’ die denken in glas, beton en staaldraad. Ook socialen hebben hun idealen, al denken zij in interventies op  menselijke maat. Ook voor hen geldt de uitnodiging van Struijs om de stad Rotterdam en haar sociale texturen, te bezien vanuit absurditeit en te bedenken dat de stad onherroepelijk tot ruïne verwordt. Het is een uitnodiging om ‘uit uw groef’ te komen.

De leegstaande kantoren op het Stadhuisplein, het Weena en elders in de stad herinneren ons aan een tijd (nog niet zo lang geleden) waarin computertechnologie nog niet had ingegrepen op het werkzame leven. Op het Weena staat inmiddels 20% van de kantoren leeg.

Absurd? Misschien. Maar alarmerend? Hoezo…?

Geraadpleegde bronnen:

Maarten Struijs (2006) Aspecten van een Erasmiaans Urbanisme. Hogeschool Rotterdam

Sigmund Freud (2006) Werken. Uitgeverij Boom.

Rubriek De intrinsieke stad

Marina Meeuwisse

Marina Meeuwisse combineert wetenschap en kunst. Vanuit wetenschappelijk oogpunt houdt zij zich bezig met perceptie, emotie, geheugen en fundamenteel onderzoek. Haar onderzoek focu...

Bekijk profiel