Foto-interviews

5-8-2012 12:30

Door Marina Meeuwisse

foto: Pompeï is Rotterdam

 

'Handelen is een vrolijke lijdensweg.' J.P Sartre

 

Het voorleggen van foto’s aan mensen en hen vragen of zij op het beeld willen reageren, photo-elicitation, wordt om verschillende redenen toegepast. Enerzijds is de argumentatie dat fotografie mogelijkheden biedt om inzicht te verkrijgen in aspecten die anders verborgen blijven. Foto’s reflecteren feiten die met woorden niet kunnen worden uitgedrukt. En anderzijds gebruikt de onderzoeker foto’s om reacties te genereren die dieper doordringen in andere delen van het menselijk bewustzijn dan alleen-taal-interviews doen (Stanczak, 2007). Wanneer een respondent bijvoorbeeld een foto ziet van een straat die hij of zij kent, zal dit een heel andere reactie genereren in vergelijking met een respondent die de foto niet kan lokaliseren en geen idee heeft waar de foto genomen is.

 

Onze persoonlijke verhalen bestaan niet alleen uit biografische feiten, het is eerder een unieke constructie van een individueel leven: de manier waarop deze feiten met elkaar verbonden zijn, de context waarbinnen ze zich afspelen en de vermenging van oorzaak en gevolg. In die zin is elk mensenleven een geconstrueerd verhaal. In het algemeen geeft een vertelling informatie over de waarheid (of geldige waarheid) van culturele identiteit, een psychologische waarheid waarmee moraal en intellect worden verbeeld. Het is de waarheid volgens de verteller, het is niet belangrijk of de informatie historisch juist is of feitelijk klopt. Elk verhaal is een persoonlijke uitleg van de psychologische realiteit van de verteller. Dit idee is gestoeld op de fenomenologische benadering die de interpreterende realiteit die zich volgens een individu voordoet, als wetenschap van de werkelijkheid ziet. De perceptuele ervaring als academie van de straat. In dat perspectief is een vertelling, een narratief, een manier van communicatie die gebruikt wordt om de ervaringen weer te geven. Volgens Collier (1986) genereren foto-interviews een overvloed aan encyclopedische informatie over de samenleving. Beelden zijn sleutels die, afhankelijk van de inhoud het geheugen activeren: informatie wordt op grond van toepasselijke informatie teruggehaald (Pole, 2004).

 

Psychologen kijken naar een narratief, een verhaal, als een primaire bron van informatie die iets vertelt over het individu die dat verhaal heeft gecreëerd. In de thema’s maar ook in de nuances, de subtiliteiten en de vergissingen wordt een levensschema weergegeven dat manifest is. De verhaalstructuur vertegenwoordigt een plot, een intentie, een karakter, een uitkomst en een thema (Bruner, 2007). Het is denken gerangschikt in tijd, in beelden, in metaforen en scènes, verhalen en geloofwaardige geschiedenissen, die waar kunnen zijn maar ook niet waar. Zeker nu bekend is dat het geheugen minder betrouwbaar is dan men dacht en nu we weten dat onbewuste processen een belangrijke rol spelen, lijkt dit een belangrijke benaderingswijze.

 

Onbewust hebben we ideeën en doelen, heeft Freud duidelijk gemaakt. Een manier om die onbewuste ideeën en doelen te onderzoeken is vrije associatie. Er wordt aan de patiënt gevraagd wordt om zonder nadenken alles te zeggen wat hem invalt, niets uitgezonderd bij het horen van een naam of een begrip. Freud zei tegen zijn patiënten: ‘Gedraagt u zich zoals bijvoorbeeld een reiziger die aan het raam van een treincoupé zit en aan iemand die bij het gangpad zit beschrijft hoe het uitzicht verandert voor zijn ogen.’ Het idee hierachter is dat het onbewuste niet bereikt wordt door een logisch verhaal, er moet ruimte zijn voor het onverwachte (Freud, 2006). Freud veronderstelde dat gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden blijven voortbestaan in het geheugen van zijn patiënten; hij geloofde dat een archeologisch onderzoek naar het psychologisch verleden van een patiënt tot genezing zou leiden. In het licht van kennis over de werking van het geheugen en tegen de achtergrond dat in de beeldcultuur feit en fictie zijn versmolten tot een niet uit te rafelen geheel, lijkt de discussie over subjectiviteit achterhaald.

 

Op basis van deze gedachten wordt net na de vorige eeuwwisseling voor het eerst gerapporteerd over het gebruik van storytelling in de psychologie. Kinderen is gevraagd een verhaal te vertellen aan de hand van een paar afbeeldingen. Deze techniek is gebruikt om persoonlijkheidsverschillen en ontwikkelingsverschillen bij jongens en meisjes te achterhalen. In 1923 is er een psychiater die een standaard set van acht plaatjes maakt om jonge delinquenten te onderzoeken. Drie jaar later wordt de Thematic Apperception Test (TAT) voor het eerst gepresenteerd door Morgan en Murray (Cramer, 1996).

 

Vanaf dat moment wordt de test, op basis van een psychoanalytische context, gebruikt als een snelle methode om verborgen fantasieën bij patiënten te ontdekken. De rationale van de test is volgens Morgan en Murray gebaseerd op twee feiten. Ten eerste is er de veronderstelling dat als een persoon een complexe sociale situatie interpreteert vertelt over zichzelf als over het fenomeen waarop hij zijn aandacht heeft gericht. En ten tweede is een groot deel van de geschreven fictie de bewuste of onbewuste expressie van de ervaringen en fantasieën van de auteur (Cramer, 1996). Inmiddels is de TAT één van de meest frequent gebruikte instrumenten bij klinische observaties. Het idee is dat een ambigue sociale situatie geïnterpreteerd zal worden in termen van de eigen ervaringen en onbewuste fantasieën. Gebruikmakend van dit mechanisme realiseert de persoon zich niet dat hij persoonlijk significant materiaal aanlevert door de onthulling. Zo heeft Cramer (1996) studenten gevraagd om te reageren op de beelden uit de TAT. Enige tijd later heeft zij, in een andere context dezelfde studenten gevraagd een korte autobiografie te schrijven. Er bleek een grote overeenkomst te zitten tussen beide teksten. Hoewel studenten geen idee meer hadden wat ze geschreven hadden op grond van de plaatjes uit de TAT, zij konden niet geloven dat ze zulke intieme zaken onthuld hadden. Daaruit blijkt dat het narratief de ervaring representeert. Er zijn twee belangrijke aspecten waardoor de test situatie projectie faciliteert: de aandachts-focus ligt op een plaatje waarvoor de persoon niet verantwoordelijk is. En, omdat het plaatje door iemand anders is gemaakt in combinatie met de exterieure focus moedigt het de tendens aan om te externaliseren.

 

In zijn boek The Seven Sins of Memory (2001) doet Schacter verslag van een experiment dat hij heeft gedaan met Alan Alda, waarbij hij foto’s heeft gebruikt. Op een dag is Alda gevraagd om een paar te observeren dat zat te picknicken op een bankje tegenover hem. Deze picknick was vooropgezet, Schacter had het paar van te voren gevraagd of zij hieraan mee wilden werken. Twee dagen later toonde Schacter Alda enkele foto's van de picknick en vroeg hem om de esthetische kwaliteit van de foto's beoordelen. Alda herkende één foto, die geen deel uitmaakte van de echte gebeurtenis die hij twee dagen eerder had waargenomen. Daardoor had hij onmiddellijk door wat het doel van het experiment was. Inderdaad: een aantal foto’s gaven de feitelijke gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden weer, terwijl andere foto's visuele suggesties waren van gebeurtenissen die kunnen gebeuren, maar die niet gebeurd zijn. Na het tonen van de foto’s aan Alda, leest Schacter een reeks van objecten en gebeurtenissen voor en vraagt Alda om te bevestigen of hij zich herinnerde dat die hadden plaatsgevonden tijdens de picknick. De resultaten van dit experiment laten zien dat Alda geen onderscheid kon maken tussen herinneringen hij echt ervaren had en herinneringen die ontstaan waren op grond van de visuele suggesties. Met dit experiment illustreert Schacter dat ons geheugen suggestief is en misleidende informatie uit externe bronnen kan integreren in persoonlijke herinnering. Dit maakt de zaak interessant: foto’s kunnen bij stedelingen ‘herinneringen’ activeren die eigenlijk geen herinneringen zijn, omdat de foto’s niet hoeven te verwijzen naar werkelijke ervaringen. Als dat het geval is lijkt het mogelijk om een idee te krijgen van de intrinsieke stad.

 

Hoewel het Schacter er in dit experiment niet om ging het impliciet geheugen te onderzoeken, vertellen de uitkomsten op zichzelf een aantal opmerkelijke zaken over het onbewuste. Een aantrekkelijk aspect in dit experiment is het gebruik van de onbewuste visuele modaliteit van het menselijk geheugen in combinatie met bewuste herinnering. Het bekijken van een foto hoeft geen lineaire betrekking te hebben met de opslag van de bewuste informatie. De antropoloog Collier (2001) maakt bijvoorbeeld een onderscheid tussen "diegenen die rechtstreeks kennisnemen van de inhoud van het beeld en anderen die beelden te gebruiken meer indirect als voertuigen die informatie niet per se aanwezig is, het beeld zelf is een trigger."  Of, nog ongemakkelijker: soms gebruiken respondenten foto's onverhoeds als voertuigen die zijn gekoppeld aan persoonlijke herinneringen. We kunnen dus betwijfelen of Alda de informatie die hij heeft gezien op foto’s, die niet conform de werkelijkheid waren, onbewust heeft opgeslagen. Het is heel goed mogelijk dat die foto’s verschijnselen of gebeurtenissen uit Alda’s eerdere persoonlijke herinneringen geactiveerd hebben, waarvan Alda zich niet bewust is geweest.

Rubriek De intrinsieke stad

Marina Meeuwisse

Marina Meeuwisse combineert wetenschap en kunst. Vanuit wetenschappelijk oogpunt houdt zij zich bezig met perceptie, emotie, geheugen en fundamenteel onderzoek. Haar onderzoek focu...

Bekijk profiel