De Big Society in een buurt

3-12-2012 14:51

Door Marina Meeuwisse

Deze week stelde iemand de vraag: “Hebben uw vrienden ook zo’n zin om de “big society” vorm te geven?” Een intrigerende vraag die - het kan haast niet anders - onmiddellijk doet denken aan het nieuwe bestuursmodel waar politici en ambtenaren in Rotterdam aan werken. Die nieuwe structuur waarin het wijkniveau leidend is voor de manier waarop burgers kunnen participeren. Die nieuwe structuur rekent op de inzet van burgers, waarbij leidende kernwaarden zijn: diversiteit, participatie - ruimte voor het maatschappelijk potentieel van de inwoners, hun zelfredzaamheid en samenredzaamheid - democratische legitimiteit en een effectieve en efficiënte overheid. Kernwaarden die ongetwijfeld te maken hebben met het vormgeven van de “big society” in de Rotterdamse wijken.

 

Nog los van het feit of u de tijd heeft om zich te buigen over de big society - u heeft het misschien al druk genoeg met werken, het huishouden en aanverwante artikelen - is het de vraag welke de rol van de overheid dan nog heeft. Als wij, burgers ons bezig gaan houden met de ideale inrichting van de samenleving, waar houden politici en bestuurders zich dan nog mee bezig? Is het niet zo dat wij, burgers, op gezette tijden vragenlijsten invullen waarin de overheid van ons wil weten hoe we over de wereld, of eigenlijk onze woonomgeving, denken? En is het niet zo dat wij, burgers, die vragenlijsten invullen zodat de overheid weet wat zij moet doen en waarom wij, burgers, dat zouden willen? Ja toch? Niet dan?!

 

Zoals wel vaker het geval is, is ook nu het onwaarschijnlijke waarschijnlijk: Inderdaad, uw mening doet er toe en uw mening - dat blijkt uit onderzoek - heeft bepaald dat u zelf iets aan de leefbaarheid in uw wijk kunt doen. Dat is in het kort de essentie van het beleid dat is onderbouwd met behulp van onderzoeksgegevens. Hoe zit dat en wat betekent dit voor de participatie van burgers en de keuze van het nieuwe bestuursmodel?

 

 

Leefbaarheid in cijfers en statistieken

Sinds de roemruchte tijden van stadsvernieuwing, die rond 1995 is losgebarsten, is leefbaarheid een beleidsissue, dat mede door de opkomst van politieke partijen die zich ‘leefbaar’ noemen op de agenda is gezet. En de overheid zou de overheid niet zijn als zij daarvoor geen beleidsinstrument ontwikkelde: De Leefbaarometer. Dit meetinstrument geeft niet alleen aan dat de mening van bewoners er toe doet, het laat ook zien dat die mening van bewoners een uitgangspunt is om beleid te ontwikkelen. Want “… leefbaarheid speelt een steeds grotere rol in de ervaren woonkwaliteit van bewoners” (Leidelmeijer et. al., 2008: 1). De Leefbaarometer is een monitoringsinstrument (zeg maar een instrument dat bijhoudt hoe bewoners over hun buurt denken), waarmee de leefbaarheidssituatie in wijken is berekend. Die leefbaarheidssituatie is gebaseerd op twee zaken: de beleving van de leefbaarheid door buurtbewoners en het woongedrag van die buurtbewoners.

 

 

De APK-keuring van de wijk

De leefbaarheidsscores zijn vastgesteld aan de hand van indicatoren die zijn samengevoegd in dimensies. Dat zijn fysieke dimensies zoals de woningvoorraad, de publieke ruimte en voorzieningen. En het zijn sociale dimensies zoals demografische gegevens van de bevolkingsopbouw, sociale samenhang en veiligheid. Het komt erop neer dat een positieve score aangeeft dat bewoners tevreden zijn met hun woonomgeving, maar dat vermoedde u vast al. En, als de score positief is, constateert de overheid dat er sprake is van een kwalitatief goede leefbaarheidsomgeving.

 

Volgens de onderzoekers kan dit instrument gebruikt worden bij vroeg-signalering - de overheid weet dan tijdig dat er iets niet goed gaat - het stellen van wijkdiagnoses – zeg maar een soort APK keuring van de wijk - en onderzoek naar waterbedeffecten[1]. Leefbaarheid heeft in dit geval betrekking op de omgeving en hanteert het perspectief van de mens, die de omgeving betekenis toekent in termen van leefbaarheid: “… de monitor combineert subjectieve en objectieve interpretaties van het oordeel van bewoners, die in de eindscores worden gecombineerd.” (Leidelmeijer et. al., 2008: 5). Het begrip subjectieve interpretaties verwijst naar een waarde bepalend oordeel van bewoners. Het begrip objectieve interpretaties verwijst naar het woongedrag van bewoners, dat veroorzaakt wordt door verschillen tussen buurten op het gebied van leefbaarheid (Leidelmeijer et. al., 2008: 19).

 

De subjectieve indicatoren (uw waardeoordelen) zijn, volgens de onderzoekers, nodig om inzicht te krijgen in het welzijn en de tevredenheid van bewoners, in wat zij belangrijk vinden en de subjectieve indicatoren kunnen een bijdrage leveren aan het vergroten voor het draagvlak voor beleid. Met andere woorden: naar aanleiding van uw oordeel over de leefbaarheid in de wijk bepaalt de overheid wat nodig is. De objectieve indicatoren zijn volgens de onderzoekers nodig als niet-waarneembare (?!) en / of waardeerbare omgevingsaspecten een rol spelen, zij bieden een tegenstelling tot de subjectieve oordelen en zijn relevant om de oordelen van mensen te staven (Leidelmeijer et. al., 2008: 23).

 

 

Leefbaarheid, woongedrag en participatie

Anders gezegd: het woongedrag van bewoners heeft te maken met het getaxeerde oordeel van bewoners over de leefbaarheid in wijken. In een wijk waar niemand zich bekommert over wat er op straat gebeurt, is de kans groter dat het op straat een bende is. Nog los van het feit dat hier geen echt revolutionaire gedachte achter zit, laat het zien hoe lastig het is om leefbaarheid te meten. De samenhang tussen de gebouwde omgeving, de natuurlijke omgeving (denk aan groenvoorzieningen en water), de sociale omgeving en de culturele en economische omgeving waarin mensen verkeren, is niet te reduceren tot een simpele wiskundige formule. Hoe dan ook, en dat is misschien wel het meest opmerkelijk, het laat zien dat de politiek-bestuurlijke aandacht is voor de subjectieve oordelen en de beleving van bewoners.

 

Goed zo, dat weten we dan: de leefbaarheid in wijken is vast te stellen aan de hand van het oordeel van bewoners en - misschien wel heel handig en effectief  - dat is te meten. Maar als u nu denkt dat we er zijn, dan heeft u het mis. Want met behulp van die informatie formuleert de overheid het beleid. Beleid dat zich richt op de rol van bewoners, want, zo heeft men ontdekt, de manier waarop bewoners met elkaar omgaan heeft een grote invloed op de leefbaarheid in wijken. Of, in beleidsterminologie: de positieve invloed van buurtparticipatie op de ontwikkeling van leefbaarheid heeft te maken met de sociaal stabiliserende invloed van participatie. En, zoals we weten, dat zijn kernwaarden uit het nieuwe bestuursmodel: participatie, zelfredzaamheid en samenredzaamheid.

 

 

Werkt participatie?

De vraag is nu of participatie helpt, of het bijdraagt aan een betere leefbaarheid in buurten. Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: het effect van participatie is beperkt en veelzeggend (Leidelmeijer, 2012). De actieve participatie van bewoners kan het verschil maken in een wijk, het kan de positieve ontwikkeling van de status van een wijk bevorderen. Het kán, maar er is geen enkele garantie, want zo blijkt uit onderzoek: het maakt nogal wat uit om welke wijk het gaat. Er is geen kant-en-klaar-recept, dat in elke wijk is toe te passen. Vooral in wijken waar geen grote problemen zijn en in wijken waar niets aan de hand lijkt te zijn, draagt buurtparticipatie bij aan betere leefbaarheid. In wijken met grote leefbaarheidsproblemen werkt buurtparticipatie soms contra-productief! In zulke wijken kan die participatie zelfs uitdraaien op antisociaal gedrag, zoals het voor eigen rechter spelen (Leidelmeijer, 2012). Hoewel er ook nu geen garantie te geven is dat dit zo zal zijn. En in wijken waar de leefbaarheid uiterst positief is, maakt het niet uit of bewoners zich inzetten voor de wijk. Het gaat er toch wel goed. De onderzoekers constateren dat de overheid ook iets kan doen: in de analyse naar de mogelijke samenhang tussen buurtparticipatie en leefbaarheid constateren zij dat bewoners, die op de hoogte zijn van de plannen die voor hun wijk zijn gemaakt, positiever zijn en participeren meer in de buurt.

 

 

Hint

Omdat buurtparticipatie niet altijd en overal werkt, adviseren de onderzoekers om verschillende vormen van bewonersparticipatie in te zetten, die aansluit op de verschillende bewonersprofielen in een wijk (Leidelmeijer, 2012). Zij onderscheiden vier vormen van buurtparticipatie: sociale participatie, het onderhouden van contacten tussen bewoners en het organiseren van activiteiten. Dat komt vaker voor in buurten waar bewoners een sterke binding met de buurt hebben, waar gezinnen met kinderen wonen. Vrijwilligerswerk in de buurt, komt meer voor in niet-stedelijke buurten. In buurten waar een optelsom van problemen te vinden zijn komt “verticaal probleemgerichte participatie” (van burger naar instanties) veel voor. De “horizontaal probleemgerichte participatie” (gezamenlijk acties organiseren om problemen aan te pakken), dat komt vaker voor in buurten waar meer problemen zijn (behalve in buurten waar bewoners onderling problemen hebben).

 

Rotterdam is, dat weet iedere Rotterdammer, een archipel van dorpen. Dat komt doordat de stad zo’n dertien dorpen heeft geannexeerd, vanaf 1816 (Cool) tot 2010 (Rozenburg) - met elk een eigen structuur en identiteit. Juist in de geannexeerde gebieden voelen Rotterdammers zich eerst inwoner van Rozenburg, Hoek van Holland of Hoogvliet en daarna Rotterdammer. En, doordat stadsuitbreiding onderhevig is geweest aan tijdsgebonden inzichten, kent Rotterdam een grote verscheidenheid in stedenbouwkundige structuur en gekoppeld daaraan de identiteit van wijken. In zo’n archipel is buurtparticipatie intrinsiek ongelijkmatig en kan het ongelijkheid versterken omdat het zelforganiserend vermogen van burgers ongelijk verdeeld is. Zelforganisatie – en daaraan gekoppeld het bestuurlijke model - gaat over wat burgers kunnen doen EN wat de overheid moet doen, dat is de centrale vraag, die idealiter per wijk verschillend zal worden ingevuld.

 

Geraadpleegde bronnen:

Leidelmeijer, K. (2012) Buurtparticpatie en leefbaarheid. RIGO Research Advies in opdracht van het Ministerie van BZK/WBI, Amsterdam.

Leidelmeijer, K., Marlet, G., van Iersel, J., van Woerkens, C., van der Reijden, H., (2008). De Leefbaarometer. Leefbaarheid in Nederlandse wijken en buurten gemeten en met elkaar vergeleken. Rapportage instrumentontwikkeling. In opdracht van VROM, WWI, Amsterdam.




[1] De term waterbedeffect verwijst naar “de situatie dat een maatregel die tot doel heeft de leefbaarheid in een gebied te verbeteren, leidt tot de onbedoelde verslechtering van de leefbaarheid in een ander gebied of andere gebieden” (Leidelmeijer et.al., 2009).

Rubriek De intrinsieke stad

Marina Meeuwisse

Marina Meeuwisse combineert wetenschap en kunst. Vanuit wetenschappelijk oogpunt houdt zij zich bezig met perceptie, emotie, geheugen en fundamenteel onderzoek. Haar onderzoek focu...

Bekijk profiel